In Calgary genieten we van een paar heerlijke dagen rust bij Leo, de broer van mijn opa. Het zijn zomerse, warme dagen met hier en daar een goede onweersbui. Het is gezellig, de vier dagen vliegen voorbij met kletsen, een rondrit door de omgeving, fietsrondje om het meer en mee naar vrienden. Leo bedankt voor alles!

Wanneer we de fiets weer opspringen belooft het opnieuw een zomerse dag te worden. We rijden over lange kaarsrechte wegen de stad uit, op naar het zuiden. Heuvel op en heuvel af. We ontspringen de dans bij de voorbijtrekkende onweersbuien die dag. Natte voeten kunnen we helaas niet vermijden.
Op het eind van de middag komen we een Zwitsers koppel tegen op de fiets, inmiddels al voor 14 maanden op reis en heel wat landen verder. ‘Did you hear the news about the attack in Glacier?’ vraagt de jongen ons als we geantwoord hebben waar we naar toe fietsen. Hij vertelt dat gister een fietser is aangevallen en overleden door een grizzly. De beer bleek verrast te zijn geweest en heeft de aanval ingezet, één fietser kon wegkomen en de ander heeft het helaas niet gered.. De angst voor wildlife is inmiddels afgenomen, het nieuws maakt ons wel weer alert. We maken de laatste kilometers voor die dag. Een oud campertje haalt ons in met een caravan op sleeptouw. Wanneer deze ongeveer 100 meter verder is horen we een knal en zien een grote stofwolk aan de rechterkant, een klapband… Het ijzer en rubber ligt verspreid op de smalle vluchtstrook. Ik kijk Paul aan ‘daar hebben we geluk gehad’. Gevaar schuilt in een klein hoekje.

We zien een nieuw Canada, de prairies. Veel grasland en heuvels, zover als het oog reikt. Het is een totaal andere omgeving. We genieten ervan!
We volgen voor drie dagen de cowboytrail op Highway 22. Een kaarsrechte lijn op de kaart naar het zuiden, met veel koeien en vliegen. Op de tweede dag besluiten we bij een boer te vragen of we onze tent op zijn land mogen zetten, aangezien er geen campings meer zijn. Die avond komen we uit bij de Waldron Ranch.
Het is Canada Day en de hele familie kampeert op de ranch. We mogen overnachten en worden uitgenodigd om erbij te zitten. De ranch blijkt 16.000 hectare groot te zijn, telt 13.000 koeien en is omheind met 800 kilometer hekwerk. De koeien staan het hele jaar buiten in de heuvels, worden iedere 4 dagen van weiland verplaatst door de ranchers te paard. ’s Avonds mogen we mee in de Dodge RAM 2500, Paul helemaal gelukkig. We gaan mee naar de schapen, die ’s avonds in een goed omheinde kraal gaan in verband met de coyotes. Een grote witte hond komt vrolijk aangerend, hij blijkt 24/7 bij de kudde te blijven om ze te beschermen. Een bruine border collie drijft samen met hem de kudde naar binnen.
Het volgende uur rijden we over een gravelweg door het natuurgebied, vrijwel onaangetast door de mens, zonder huizen en elektriciteitsmasten. We zien de verschillende groepen met koeien, sommige tot 550 groot. Maar ook een kudde Elks van 60-70 dieren, verschillende hertensoorten en uiteindelijk komen we boven op de berg aan waar we naar de zonsondergang kijken met de contouren van de Rockies als eindpunt.

We zitten allebei stil, en met een grote glimlach op de achterbank wanneer we teruggaan naar de ranch. We komen vanalles te weten over de dieren, waar natuurlijke bosbranden goed voor zijn en hoe het leven van een rancher er hier uit ziet. Bij terugkomst is het al half elf en kunnen we aanschuiven bij het kampvuur. We leren dat een vuurtje snel aan gaat met een bolletje watten ingewreven met vaseline, een goedkoop en goed brandend ‘aanmaakblokje’, ook bij slecht weer. We horen dichtbij een coyote janken, we kletsen bij een knetterend en warm vuurtje en ineens is het half één. Voor we de tent inkruipen kijken we nog vijf minuten naar boven. Het is een heldere nacht en zien gigantisch veel sterren. Zoveel krijgen we er thuis in Nederland nooit te zien. Wow, wat een dag!

De volgende ochtend ontbijten we gezellig met vier man in een camper en het is halverwege de ochtend wanneer we maar eens starten met fietsen. We hebben een stevige tegenwind, maar het maakt de zon minder brandend en houdt de vliegen weg. Langzaam maken we meters. Op de picknickplaats trekt onze fiets weer veel bekijks.

In Pincher Creek is een grote Walmart. We hebben nog één fietsdag voor ons in Canada. We mogen niet alle etenswaren mee de grens overnemen, waardoor we even goed moeten plannen. Na drie kwartier komt Paul met een schuldige blik stilletjes aangelopen. De kar zit zo bomvol eten, dat het never nooit niet in de tassen past. ‘Het zag er allemaal zo lekker uit, en het was hier een stuk goedkoper’ legt hij uit. ‘Vanavond gaan we tapassen’. We puzzelen een half uur om alles in de tassen te krijgen, maar vertrekken uiteindelijk met openstaande tassen en de extra rugzak goed gevuld. Op naar de camping. We hebben een lange, zomerse avond voor ons, met in ieder geval genoeg te eten.

We starten een nieuwe dag met veel wind, heel veel wind en helaas tegen ons. Terwijl we met zo’n 10 km per uur voortzwoegen over de heuvelige prairie ben ik in gedachte verzonken. Wat is reizen? Wat trekt mensen in het reizen op de fiets? En wat is reiskoorts precies?
Als je op reis bent weet je vaak niet hoe je dag eruit gaat zien, waar je ’s avonds zult slapen, wat je gaat zien en wie je ontmoet. Het is een bepaalde zekerheid loslaten. Hoe beter je dat kunt, hoe meer je geniet. Reiskoorts is denk ik de drang om te willen ontdekken en de kick die het geeft wanneer je op prachtige of bijzondere plekken terechtkomt, bijzondere ontmoetingen hebt en nieuwe ervaringen opdoet.
Paul heeft de reiskoorts gekregen na zijn reis naar China, dat is duidelijk. Ik begreep het alleen nooit zo goed. Wat hij omschreef zag ik vaker als afzien. Een paar weken terug merkte ik dat het ‘afzien’ me makkelijker afging. De grens wat ik nog acceptabel vind rekt zich op. Inmiddels begin ik te zien dat het bij het fietsen erom gaat dat je je niet laat afleiden. Je kunt ervoor kiezen om dit te zien.
En het is dan de kunst je niet af te laten leiden door sterke tegenwind, rond zoemende (steek)vliegen of op andere dagen de regen, kou of vrees. Het gaat me steeds beter af! De tegenwind deerde niet vandaag, de (steek)vliegen sloeg ik dood en deze avond slapen we op een bijzonder mooie plek in het wild, er was alleen een ‘oké’ nodig op Paul’s voorstel om hier te blijven.

Na een stille, rustige nacht vertrekken we vroeg richting de grens met Amerika. Onze laatste dag in Canada! Vandaag is het een Amerikaanse feestdag en op zulke dagen is er veel verkeer. Bij de grens aangekomen eten we ons laatste fruit op. Een van de vragen is waar we heen gaan. ‘Los Angeles’, antwoord ik. Waarop de douane-man vraagt ‘how?’ Tja, denk ik, je kunt toch zien dat we op de fiets de grens overgaan.. ‘By bike’. Waarop hij met een serieus gezicht vraagt ‘Why?’ Ik zou hem van alles kunnen vertellen, maar er wordt geadviseerd antwoorden kort te houden en geen grapjes te maken en daarom zeg ik maar ‘we like it’ en daar is de kous mee af. We stappen de fiets op en zetten koers naar Glacier National Park.

Na 60 km trappen, met opnieuw forse tegenwind komen we in de plaatsjes Babb en St. Mary waar de stroom uitgevallen is. Een kleine boodschap (we hebben nog veel eten over) moeten we in het donker doen, de etiketten nauwelijks leesbaar. Op de camping kunnen we niet cash betalen, omdat de kassa niet werkt en moet alles met creditcard en briefjes met handtekeningen. Aggregaten draaien overuren bij de parkpoortjes. We zijn blij dat we niet afhankelijk zijn van stroom, we bakken aardappeltjes op onze brander en redden ons met de kaart en een boek. ’s Avonds treffen we onze fietsende buren, een Spaans koppel met een vrolijke peuter van drie. Ze maken al vijftien jaar fietsreizen en hebben al aardig wat landen gezien, de komst van de kleine heeft daar geen verandering in gebracht. We horen dat hij met vier maanden Patagonië vanuit de fietskar beleefd heeft en ieder jaar maken ze weer een nieuwe reis, nu alleen in een iets langzamer tempo. Het is leuk om te zien hoe gemakkelijk en vrolijk het kereltje is.
De volgende ochtend gaat om 5uur de wekker. Heel stilletjes pakken we in, om onze buren niet wakker te maken. Een uur later zitten we op de fiets om de grote drukte voor te zijn, op weg naar de Logan Pass in Glacier National Park. Goeiemorgen!
Tussen het gras bloeien paarse en gele bloemen. We fietsen langzaam de bergen in en klimmen in vier uur naar 2025 meter hoogte. Daar spotten we onze eerste berggeit op het wandelpad als we een korte track lopen. Het beest is meer dan gewend aan mensen.
Na een tijdje zetten we de afdaling in. er opent zich één van de mooiste afdaling van de hele reis tot nu toe! We pakken ons zo warm mogelijk in en beginnen aan de reis naar beneden, 20 magnifieke kilometers langs de bergrug lang!
Een stoet auto’s kruipt omhoog. De weg is op bepaalde stukken te smal voor twee passerende auto’s, waardoor ze niet harder dan 40km per uur kunnen afdalen. Met onze fietsen hebben we voldoende ruimte, we passeren smeltende stukken ijs, watervallen naast de weg en maken mooie haarspeldbochten. Beneden zijn we stijf van de kou, maar wat een afdaling! Om 12 uur staan we met ons tentje al op de hiker/biker kampeerplek, voor 10 Canadese dollars (7 euro), tijd voor de lunch en een powernap.
Eind van de middag zitten we al aan het spagetti-menu om rond etenstijd de schoenen nog even stevig vast te strikken. We lopen nog een hike van 4 mijl (6.4km) naar het Avalanche-meer. Watervallen storten zich omlaag van het komvormige gebergte.
Met wandelen zien we ook nu weer zoveel nieuwe dingen. Op de terugweg praten we over een wandelvakantie, ooit.. in de toekomst..

Om 9 uur liggen we uitgeteld in de tent. Dan arriveren er twee auto’s op de hiker/bikerplaats (blijkbaar hebben ze het bordje gemist, verboden voor voertuigendat). Om vervolgens al hun rotzooi de auto uit te krijgen hebben ze een dik uur nodig, er wordt hout gesprokkeld rondom onze tent (het andere bord met de ‘regels’, hebben ze misschien ook niet kunnen lezen) en een vuur aangelegd, waardoor we uitgerookt worden. Er wordt gelachen en geroepen. Om half 11 ben ik er helemaal klaar mee en kruip mijn slaapzak uit om de volumeknop omlaag te krijgen. Gelukkig houden ze daar wél rekening mee.
‘Holy shit! Het is half acht geweest’. Dit zijn de eerste woorden ’s ochtends die ik hoor. We lijken ons alleen te verslapen op cruciale dagen. Om 11u moeten we van de weg af zijn op het komende deel van de ‘Going to the Sun’ weg. Ik reken snel, we hebben 2.5 uur voor de komende 30 km als we binnen een uur op de fiets zitten. ‘Ik hoop dat we niet teveel hoeven te klimmen, anders redden we het niet’. Als een turbo pakken we alles in, eten ons ontbijt en springen op de fiets. Geen sun vandaag, alleen maar grijze wolken en een drup regen. We crossen langs het meer, wat vandaag geen uitzicht biedt. En meer dan op tijd zijn we van de weg af.
De resterende kilometers richting Columbia Falls leggen we af met het gezoem van de voorbijrijdende auto’s in treintjes vorm. Het contrast met gister is gigantisch, het fietsplezier zakt naar het nulpunt. Ook als we afdraaien van de highway wordt het er niet beter op. Na 60 kilometer kunnen we eindelijk de Great Divide-route oppakken. We krijgen er een rustige weg met gravel en tegenwind voor terug. We besluiten nog een half uur te fietsen voor we een wild kampeerplek zoeken. En dan… staat er opeens een bordje in iemands tuin met Great Divide – Cyclists welkom to camp.
Staan we ineens in een fietsers walhalla! Een picknicktafel met een rood-wit geruit kleedje, de wifi-code in het hout gekerfd, een stopcontact buiten aan het huis, stoelen en een veranda met geweldig uitzicht om droog te kunnen koken én we mogen ook nog gebruik maken van de badkamer. Fantastisch toch?


Goed uitgerust gaan we op pad over de buitenwegen van Montana. Lekker rustig. Het lijkt me prachtig wonen, de huizen liggen ver uit elkaar tussen de heuvels en iedereen lijkt een groot eigen weiland te bezitten. Na 30 km komen we uit op een gravelweg, die langs het meer loopt. Aan de andere zijde van het meer is de geasfalteerde weg. We beginnen te klimmen, we hebben geen idee hoe hoog. Na enkele kilometers hebben we nog geen meer gezien, de weg klimt nog steeds en we beginnen bij iedere bocht uit te kijken naar de afdaling. Die blijft echter uit. ‘Paul, we wachten al 20 bochten op het einde van de klim, maar nu word ik echt flauw van de honger’. Dan maar lunchen midden op de weg, er komt toch niemand.

Na 12 km is dan eindelijk de afdaling een feit, het meer hebben we helaas niet gezien, daarvoor hadden we toch op de geasfalteerde weg moeten blijven.. De 13 km omlaag zijn wel genieten! Zeker nu ik vrij omlaag durf over de gravel. We besluiten toch weer een stukje ‘on the road’ te fietsen en die gaan ineens vliegensvlug. We voelen ons geoliede machines en tikken vlot de 85 km aan. Op zoek naar een kampeerplek! We vragen bij het forest department of we onze tent op mogen zetten. Dat mag, maar 400 meter verder blijkt er een camping te zijn. We fietsen erheen, maar kunnen het eerst niet vinden. Er zijn geen borden, behalve grizzly waarschuwingen, maar uiteindelijk bij de rivier is inderdaad een stukje gras, een picknicktafel en zelfs brandhout! We zijn de enige en het is gratis. Lekker rustig.
Dan beginnen we aan de klussen, de bearhang, dit keer kost het een uur, mede omdat het touw 2x vast komt te zitten. Maar een vrije avond zit er nog niet in. Er moet nog water gefilterd worden, anders wordt het een dorstige avond. De tent is mijn afdeling vandaag en we koken ons maaltje. Om 8 uur hebben we alles erop zitten en kunnen we eindelijk relaxen.

We slapen als een blok, met alleen het geluid van de vogels. Onze tassen hangen nog perfect in de boom, geen berengevaar. Wel gevaar op de weg, op een haar na mist een afgebroken zonnescherm van een passerende RV-combinatie ons hoofd. Een sheriff had het gevaarte gezien op de andere weghelft en keerde zich met zwaailichten om de chauffeur te stoppen, maar hij reed er nog achter toen het gevaar ons passeerde. Hij had de stalen stang zien wapperen en net over onze hoofden heen zien gaan. We hebben twee engeltjes op onze schouders zitten..

We besluiten bij Seely Lake de Great Divide route over de gravelweg weer op te pakken. Na ons zelf getrakteerd te hebben op hamburger/friet. In Amerika zou je bij ‘Large’ een grote portie verwachten, maar niets is minder waar. De grootste friet hier haalt het niet bij een kleine friet in Nederland.
We knallen er nog 15 over de grove, stoffige weg voor we onze tent opzetten. In Montana mag je in alle Nationale Forest wildkamperen, dat komt goed uit, want onze route gaat vrijwel alleen door bossen hier. En we hebben de smaak te pakken!
Avando is een klein dorpje, fiets vriendelijk staat er op een bord. Het dorp telt een vis/campingwinkel met fiets benodigdheden, een café en een hotel met een klein winkeltje. Voor 5 dollar per persoon mag je in de tipi-tent of in de pipowagen slapen. De dorpswinkels zijn in Western stijl in de kleinste gehuchtjes.
In Lincoln, een dorpje verderop, willen we onze fietsroute kaarten van de Great Divide ophalen bij het postkantoor. In Amerika kun je spullen bestellen en versturen naar postkantoren, super handig. Alleen op zaterdag blijkt deze niet open te zijn. Nu moeten we hier een verplichte rustdag nemen, net in het weekend dat er een motor-event is.. Maandagochtend om 9 uur kunnen we pas weer verder.
We gingen de afgelopen dagen als een tierelier, misschien is een dagje rust ook niet verkeerd. Na het weerbericht te zien is het zelfs verstandig. Regen en onweersbuien. We slapen morgen lekker uit en duiken overdag een cafeetje in.