Langzaam laat ik mij in de bak met water glijden. De warmte kruipt via mijn benen richting mijn middel en dan naar mijn buik en schouders. Verderop knippert een reclamebord om aandacht van een of andere oliemaatschappij. Boven me, heel ver boven me, zie ik duizenden kleine lichtjes welke sterren voorstellen. Verder is de hemel gitzwart, en terwijl ik van de warme hottub geniet sluit ik mijn ogen. Op wat geraas van auto’s na is het bijna stil. ‘Hoe stil zou het zijn geweest toen de Pueblo volkeren in Mesa Verde leefde? Het zag er zo puur uit, en elke steen had wel zijn betekenis. Of het nu ging om op te zitten, of om de wind tegen te houden zodat het haardvuur niet uitwaaide. Het was zonder twijfel een hard bestaan daar beneden tussen de kloven, maar zonder meer ook een leven met minder prikkels dan tegenwoordig.’
De volgende ochtend trekken we opnieuw door Cortez, doen we voor vier dagen boodschappen en verlaten we het stadje via highway 160. Aan de hoofdstraat, net als in elk dorp of stadje ‘mainstreet’ genoemd, hebben zo’n beetje alle bekende fastfoodketens van de wereld zich gevestigd. Subway, Mac, Burgerking, Taco Bell, Domino’s Pizza’s, De Pizzahut, Denny’s en ga zo maar door. Terwijl de walm van vette etenslucht me misselijk maakt, vraag ik me af hoe het toch kan dat er zoveel mensen overgewicht hebben. Zou het echt het aanbod zijn, of toch het gemak van snel kant en klaar eten. Ik denk een combinatie, maar als derde factor komt er zeker bij dat de mensen het hier niet uitmaakt of ze nu rond etenstijd een hamburger naar binnen schuiven, of al om elf uur ’s ochtends. Terwijl de laatste keten, Kentucky, aan me voorbij glijdt denk ik weer aan het leven in Mesa Verde. Zouden de indianen ook ooit behoefte hebben gehad aan een hamburger, of een lekkere, vette kippenkluif met ketchup of majo?
Gedurende de eerste kilometers kletsen we wat over zelfvoorzienend leven. Het lijkt ons heerlijk straks weer een moestuin te hebben en misschien wel ooit eigen kippen. De gedachte verdwijnt langzaam doordat we moeten opletten vanwege het drukke verkeer. Ergens moeten we straks rechtsaf richting Aneth, een klein dorpje net over de grens met Utah. Na Utah gaan we vrijwel direct Arizona in, om via een klein ommetje Monument Valley te bezichtigen. Iets waar ik enorm naar uitkijk. Inmiddels hebben we de juiste afslag gevonden en vrijwel direct komen we in een andere wereld terecht. Diepe, rood beige canyons vormen diepe scheuren in de aarde. Grove stenen en ruwe, roodbruine bergen in de vorm van plateaus zorgen voor een ongelooflijk ruw aardoppervlak. Ergens daartussen kronkelt de San Juan rivier, bruin van de sedimentatie. Een soort coniferen en lage, bolle cactussen zorgen voor wat flora, voor de rest is de zon de baas. De dag leidt ons verder door de overwegend rode wereld van steen, cactussen en droogstaande rivieren. Net wanneer ik denk aan een lekkere koude cola verschijnt er een uiterst oude en roestige caddilac uit het jaar kruik naast de weg, met een vlag van Pepsi en een hand geschilderd bord met de tekst open erop. We stoppen, parkeren onze fietsen op de stoffige grond en staren naar het aanbod frisdrank in de oude truck die als winkel dient. Een deel van de achterkant is eruit geslepen en een soort van velux dakraam dient als bestelluik. Het wordt toch geen cola voor mij, maar een blikje prik met citroensmaak. Zo zitten we even later, in de schaduw, ergens in deze stoffige omgeving met een koud blikje drinken. Wat zijn we toch snel tevreden..

De jongedame, welke deze zaak runt en in de tussentijd haar drie kinderen opvoed, probeert wat bij te verdienen. Maar gezien het aanbod verkeer op deze weg lijkt me dat een uiterst ondernemende onderneming.
De nacht brengen we iets verderop door tussen de stenen. Grote stenen wel te verstaan, en zo te zien ooit afgebrokkeld van de canyonwand achter ons. Voor ons hebben we uitzicht op de andere canyonwand, welke tal van matte, rode kleuren bevat. Daartussen loopt een groene strook van planten en bomen, welke in groot contrast staat met de kleuren op de achtergrond.
De avond is warm en wordt nog veel warmer gemaakt door de laag kleding die we moeten dragen in verband met alle muggen. Maar ondanks die voorzorgsmaatregelen worden we toch enkele keren gestoken door deze kleine etterbakjes, en de jeukende reactie, die begint pas echt vervelend te worden wanneer we in de tent liggen te zweten van de warmte. “Zou het hier niet afkoelen in de nacht?”, vraagt Yvette terwijl ze met opgetrokken shirt haar buik probeert te koelen. Ik schud mijn hoofd. “Ik ben bang van niet.”
Gedurende de nacht zakt het kwik tot twintig graden, maar vroeg in de ochtend komt de zon weer terug en stijgt de temperatuur ook weer snel. De dunne laag wolkjes die er hangt verdwijnt binnen twee uur en daarna rest er niets dan een brandende zon boven ons hoofd. De kilometers vlotten lekker omdat we een windje in de rug hebben, en net voordat we Aneth bereiken zien we onze laatste boom aan ons voorbij gaan.

Aneth is opgetrokken uit mobilehomes, een tankstation en enkele ja-knikkers. Het grootste deel van de bevolking heeft een indiaans of zuidelijk getint uiterlijk. Sommige mannen dragen lange zwarte paardenstaarten en vrouwen hebben meer een Mexicaans uiterlijk met kleurrijke kleding. Toch hebben ze dezelfde nieuwsgierige interesse als de Amerikanen, want ook hier willen ze maar al te graag weten waar we vandaan komen en waar we heen gaan.
Na Aneth zijn we weer terug in de  woestijn en we verbazen ons dan ook dat het landschap binnen een dag is veranderd van, een koele bossige omgeving, naar een droge en hete vlakte waar de enige vorm van water zich bevindt in de San Juan rivier. En die lijkt eigenlijk meer op een modderstroom dan op een rivier. Deze woeste stroom volgen we richting het Westen, waardoor we overwegend bergaf gaan. Droogstaande zijrivieren zorgen niet alleen voor diepe, prachtige rood gekleurde canyons, maar ook voor korte en stijle klimmetjes en afdalingen. Meerdere malen duiken we met tien procent af naar zo’n droogstaande bedding, om er vervolgens, met de hitte van de zon op de rug, weer uit te klauteren.
Dat het van flora naar floraloos is veranderd kunnen we nog steeds niet geloven, maar hoe we ook ons best doen, een boom bestaat hier niet meer. Een kleine zestig kilometer verderop staan we in Bluff, een dorpje dat is omringt door stijl oprijzende rode canyonwanden. Allerlei gestapelde stenen torentjes maken van de omgeving een paradijs.
Midden in Bluff ligt een info-centrum met een strakke groene grasmat en wat bomen. Ze hebben er een soort country dorpje bij gebouwd, maar het straalt wel niet zulke nepheid uit dat ik de schoonheid er niet zo van zie. Andere toeristen zien dat gelukkig wel, want ze lijken veel plezier te putten in het verkleden als cowboy en -vrouw en dan voor een oude koets te poseren en foto’s te maken. Terwijl zij hun ding doen, rusten wij uit, bakken we een ei en vergaren we wat informatie over het komende stuk.
“Nee, jullie kunnen beter via Mexican Hat fietsen en dan naar Monument Valley”, roept al de tweede persoon die we vertellen dat we eigenlijk via het iets zuidelijke Mexican Water willen gaan. “Daar beneden is niets te zien!”, verduidelijkt de vrouw van de camping nogmaals. Eerlijk gezegd klinkt het inderdaad beter om twee keer dezelfde, mooie route te fietsen, dan één keer een minder mooi stuk, en met die gedachte verandert ons oorspronkelijke plan van Mexican Water naar Mexican Hat.

De regen van afgelopen nacht maakt van de volgende ochtend een klamme en benauwde ochtend, en een penetrante, oude zweetlucht vervangt de lange droogte van de afgelopen zomer. Door het wolkendek krijgt de zon nog even geen kans om hitte af te stralen, en dat maakt de ochtend, ondanks de aanwezige zweetlucht, weer iets aangenamer. Opnieuw duiken we een diepe canyon in. Rechts wordt het zicht en het zonlicht tegengehouden door een stijle rotswand. Grote brokstukken wankelen boven op de stijle klif, wachtend tot de volgende regenbui de ondergrond wegspoelt zodat ze net als hun voorgangers naar beneden donderen. Links overzien we het dal, met eindeloos veel bolle heuvel in diverse roodkleuren en prachtige schaduweffecten door de opkabbelende ochtendzon.
Aan de overkant van de droge rivierbedding wacht ons een lange klim. Werkelijk overal druppelt zweet uit mijn lichaam, terwijl we langzaam naar boven krabbelen. Het gewicht van de hoeveelheid eten en drinken voelt als een blok beton aan mijn rijtuig, maar anderzijds voelt het prettig wat extra’s te hebben in dit desolate landschap. Voor me vlakt de weg heel geleidelijk af, en telkens schakel ik een tandje op, maar echt een einde lijkt er niet te komen aan deze klim.
Voor de zoveelste keer passeert er een vrachtauto, en even sluit ik mijn ogen terwijl de machine voorbij dendert, wachtend op de koele stroom lucht die hij achter zich aan jaagt, voordat we weer alleen achterblijven in de brandende zon.
De klim brengt ons in een totaal andere omgeving. Vlakke velden met wat groen en geel struikgewas wordt door midden gesneden door diepe, rode scheuren in de aarde.
In de opvolgende kilometers verschijnen er meer torenachtige bergen op het toneel, en heel ver voor ons zijn de eerste monumenten van Monument Valley zichtbaar. Maar voordat we afdraaien naar dat nationaal park pauzeren we even in Macixan Hat, een dorpje wat meer hotelkamers kent dan bewoners. Dikke bomen bieden wat schaduw tegenover het moderne Shell tankstation, welke geheel niet in de Mexicaanse sfeer van het dorp past.
Mexican Hat verlaten we via een 8% stijle afdaling richting de San Juan rivier. Een brug brengt ons naar de overkant, en daar wacht opnieuw een uitzichtloze klim op ons. Steeds als ik denk dat we bijna boven zijn vlakt de weg beetje bij beetje meer af, als een gigantische bol, maar het echte einde lijkt niet te bestaan. Uiteindelijk krijgen we meer uitzichten, en langzaam worden de torentjes van Monument Vally torens.

Tegen de avond, na een heerlijke buitendouche, waar we het zweet van de dag van ons afspoelen, aanschouwen we voor de tent de lichtshow van de ondergaande zon. Monument Valley, wat is het toch een ongekend vreemd, maar prachtig landschap in deze rode wereld van zand en steen.
We ontmoeten twee Belgen op de camping. Natalie en François, en raken aan de praat. “Nederlands, dat is lang geleden”, zucht ik. Ze lachen en vooral François is erg benieuwd hoe we een reis als deze verwezenlijken. Ze blijken op huwelijksreis te zijn en dat is de reden dat ze een dikke Mustang cabrio hebben gehuurd.
“Zullen we het loepje maken in Monument Valley park, of niet”, vraag ik aan Yvette nadat we uitgepraat zijn. Ze twijfelt ook en het uiteindelijke besluit wordt genomen nadat de eigenaar van de camping vertelt dat we hier bijna net zoveel zien als achter de entreepoort. Nee dus, en de tent verdwijnt in de tassen en de tassen worden voor de zoveelste dag routinematig aan de fiets gehangen.
“Hebben jullie zin om met ons mee de rit in het park te maken, biedt Natalie aan. Jullie kunnen achterin, het dak open enz..” We glimlachen. “Hmmm…?”
Een uur later zitten we op de achterbank, met de benen enigszins opgetrokken omdat ze beide nogal lang zijn. We dalen af naar de kern van het park. De wind waait door onze haren. Links rijzen vijf gigantische torens op uit het aardoppervlak, terwijl het landschap overwegend vlak is.
Achter de tolpoortjes schuilt uiteindelijk veel meer dan we verwacht hadden, en in de drie uur dat we samen door het park rijden brengt de gravelweg ons langs alle hoogtepunten.

Toch beseffen we dat de beleving niet hetzelfde is als op de fiets. Met de auto gaat alles sneller, komt de grootheid van het landschap minder intens binnen en is er een gevoel dat aangeeft iets gemist te hebben. Is het toch echt de minder pure beleving vanuit de auto? We weten het beide niet. Maar gezellig was het zeker en daarbij zijn we blij dat we het gezien hebben, anders hadden we het overgeslagen. (Bedankt Antwerpers!)

Tegen twaalf uur zitten we weer op het zadel, vertrouwd en wel. We moeten terug naar Mexican Hat, het dorp dat zijn naam te danken heeft aan een wankelende steen op een torenberg, welke op een Mexicaanse hoed lijkt. We pauzeren onder dezelfde boom, eten er en trekken pas verder als de zon nog anderhalf uur licht afgeeft. Terwijl er achter ons lange schaduwen geworpen worden aanschouwen we de koelte van de avonduurtjes. Het zonlicht speelt met het landschap, en elke meter verschijnen er nieuwe uitzichten. Dit is denk ik wat we miste in de auto. De pure beleving die mede komt door het gesuis van de wind, het effect van bergop en -af gaan, maar vooral de traagheid waarmee alles voorbij schuift zodat elk detail binnenkomt. We genieten en na zes glooiende kilometers mogen we linksaf richting Gooseneck Statepark. De weg trekt zich opnieuw lang en de zon zakt recht voor onze ogen naar de plek waar de lucht en de aarde samenkomen.

Het is al donker als we aankomen. Voor ons ligt een diep gat. Te diep om te zien waar het einde is. Er is niemand en de wind brengt een kabbelend geluid van de rivier ophoog. De tentharingen weigeren dienst om in deze harde ondergrond geprikt te worden, maar na wat timmerwerk met een grote steen staat ons huisje dan toch.
Het is een nacht waar de wind stevig aan het tentdoek trekt, maar ’s ochtend worden we verrast door de schoonheid in het diepe gat voor ons. Zo’n driehonderd meter beneden ons kronkelt de San Juan rivier in de vorm van een dubbele S. Negenhonderd miljoen jaar heeft het volgens geleerden geduurd voordat zij deze diepe, uitgesleten canyon heeft gecreëerd. De opkomende zon verlicht één helft van de stijle wanden, welke tal van roodbeige kleuren bevat. Aan de andere kant is het nog donker en misschien nog wel nacht voor alles wat daar leeft. We blijven staren, ontbijten er, poetsen onze tanden en rekken en strekken zonder van de canyon op te kijken.
Maar er ligt vandaag nog zo’n canyonwand op de route. Letterlijk op de route, want nadat we de zes kilometer terug hebben gefietst en we weer op de doorgaande hoofdweg fietsen doemt er voor ons een muur op. De weg loopt er recht naartoe en er is maar één manier om verder te komen: klimmen! Gruwelijk stijl klimmen. Vroeger werd deze route alleen gebruikt voor vrachtverkeer dat uranium transporteerde. Tegenwoordig is het een deel van de doorgaande weg naar de T-splitsing met de 95.
Hoe dichter we bij de wand komen hoe onmogelijker het eruit ziet hier ooit bovenop te komen. Het is de stijlte, de hoogte en het feit dat we geen weg naar boven zien kronkelen, wat voor al deze onmogelijkheden zorgt. Toch blijkt er dichterbij een voorzichtig begin te zijn, wat uiteindelijk uitgroeit in een onverhard haarspeldenwerk dat meer lijkt op een uitgeschoten handtekening. We pauzeren beneden, verzamelen moed en beginnen met klimmen. Vijfhonderd meter verderop draait de weg honderdtachtig graden om zijn as, voordat hij opnieuw naar boven kruipt. De hoofdweg beneden ons wordt kleiner en kleiner, het dal waar we uitfietsen groter en groter. Stijle, kaarsrechte muren versperren het zicht op de voortgang van de klim. Terwijl het zweet langs het gezicht naar beneden kruipt, kruipen wij omhoog. Monument Vally komt opnieuw in zicht, alleen dan heel ver weg en zo klein dat het Lego lijkt. Bocht na bocht slingeren we naar boven, terwijl de aarde als maar dieper achter ons komt te liggen.

Boven, aanvankelijk veel sneller en makkelijker dan verwacht overzien we de wereld waar we de afgelopen dagen doorheen gefietst hebben. Tientallen torentjes, zowel van Monument Valley als van ‘the Valley of the Gods’, sieren de omgeving terwijl de opkrabbelende zon schaduwen werpt. Deze klim behoort absoluut tot mijn beste, samen met het uitzicht.

De weg veranderd weer in een geasfalteerde, lange zwarte lap met een gele, doorbroken middenstreep erop. Buiten dat lijkt het ook alsof we in een totaal andere wereld zijn beland. Opeens groeien er weer overal bomen en struiken en is groen de dominante kleur. De temperatuur zakt met enkele graden en de wind voelt vele malen sterker en koeler. Met deze aangename bries in de rug zetten we onze koers richting de aansluiting met de 95, een weg die ons verder naar het westen zal leiden. Het terrein golft licht, maar met de juiste windrichting worden klimmetjes opeens een makkie.
Een windhoos steekt op aan de rechterkant van de weg. Rood stof trekt omhoog in de vorm van een draaikolk, verdwijnt als de windhoos over de weg trekt, maar komt weer terug als de kolk de linkerkant van de weg bereikt. Struikjes worden bijna uit de grond gezogen en met dezelfde snelheid als de hoos kwam, verdwijnt hij ook weer. We kijken elkaar even aan. “Jeetje!”
Eenenvijftig kilometer verderop, en drie uur later staan we voor de afslag. We moeten naar rechts en niet veel verderop is Natural Bridges State Park, een park met de drie grootste natuurlijke bruggen van de wereld, maar dat is voor morgenvroeg.
De nacht brengen we ergens door tussen de lage boompjes nabij het park. Sommige bomen zijn meer dan zeshonderd jaar oud, al zou je ze dat qua grootte niet geven. Terwijl de zon langzaam zakt, en we op ons stoeltje naar de oranje kleurende hemel kijken, beseffen we dat we nog een kleine vijf weken te gaan hebben. Zullen we thuis ook nog de tijd en de rust vinden om naar de ondergaande zon te kijken? Of naar alle sterren die één voor één aan de donker wordende hemel verschijnen?

Natural Bridges State Park is alleen te bereiken via een zes kilometer lange afdaling en daar beginnen we de volgende ochtend vroeg aan. De koele lucht jaagt langs het lichaam, maar met de warme dag voor ons is dat best lekker. Beneden beginnen we, nadat we onze flessen bijgevuld hebben met water, aan de vijftien kilometer lange ronde in het park zelf. “Kijk, daar zijn enkele parkeerplekken”, roep ik enthousiast omdat ik denk dat we daar onze eerste brug gaan zien. Beide speuren we de diepe, wit kleurende canyon af, en schieten in de lach. “Is dit het”, zucht Yvette als ze is bijgekomen. Ik knik, nog altijd niet in staat een woord uit mijn mond te krijgen. “We zijn echt verwend”, beantwoord ze uiteindelijk haar eigen vraag. Brug twee blijkt evenmin de moeite en langzaam beginnen we in te zien dat we ons deze dertig kilometer hadden kunnen besparen. Maar, na opnieuw vijf kilometer klimwerk, bereiken we brug drie, en laat deze de mooiste van allen zijn.
Dertig kilometer verder, drie bruggen rijker maar ook vier uur van de dag minder, pakken we onze nieuwe fietsroute op. De Western Express. Deze zal ons in een klein weekje verder naar het westen brengen, waar we onder andere Bryce Canyon gaan zien. We beginnen aan de lange afdaling die op het programma staat. De omgeving is nog altijd bedekt met dezelfde kleine boompjes en ze doen mij een beetje denken aan bonsai bomen. Terwijl de eerste meters van onze nieuwe route onder ons door rollen hebben we het over onze thuiskomst. Waar zullen we straks gaan wonen, en wat willen we eigenlijk met werk. De reis is begonnen met het loslaten van het thuisfront, je werkritme en alle dagelijkse agenda items. Het middendeel; de derde en vierde maand, stonden centraal als een soort gedachteloos deel waarin we even niet achter- of vooruit keken. Dat vooruit kijken, en het besef dat er in Nederland eigenlijk niets meer is van hetgeen we hadden toen we vertrokken, begint steeds meer aan bod te komen. Langzaam voelen we de positieve spanning van het helemaal opnieuw moeten beginnen. Zullen we snel een woning vinden? Of werk? Met deze onbeantwoorde vragen bereiken we aan de rechterkant van de weg een diepe, uit wit gesteente bestaande canyon. De bovenlaag, meer het niveau waar wij ons op bevinden, is rood van kleur, en dat maakt dit uitzicht des te bijzonderder, net als de eindeloze rode bergen op de achtergrond.
De opvolgende kilometers brengen ons nog dieper in de canyon. Stijle rode wanden komen samen aan de linkerzijde, terwijl we rechts de witte kleur behouden. Schaduw vinden we slechts achter een afgebrokkelde steen, en de mate van schaduw bepaalt grofweg ook het ritme van de pauzes. Zonder schaduw, of het beetje rijwind van het fietsen, is het hier te heet om te stoppen, vooral voor Yvette, welke iets meer moeite heeft met deze temperaturen.
Tegen vijfen bereiken we Hite, een oude statepark post waar enkele ranger hutten staan met een klein winkeltje en een pompstation ernaast. Maar binnen treffen we meer lege schappen aan dan volle, en dat komt de lege fietstassen niet bepaald ten goede. “Kijk, hier zijn nog wat volkoren crackers”, roept Yvette terwijl ze verder struint. Naast crackers vinden we een zak chips, een rol koekjes en een klein bakje noedels. Met de restjes die we nog hebben weten we uiteindelijk een rijst en noedelprutje te maken, welke zijn smaak te danken heeft aan de kruidenzakjes die bij de noedels zitten. De tent krijgt een plekje op de ruwe ondergrond voor de winkel, met uitzicht op Lake Powell, welke ontstaat doordat de Colorado rivier hier uitmond. We moeten wel opletten, want de ingang staat recht voor een cactusplant, net als de zij- en achterkant.

Het is nog donker als de wekker gaat. De twee Nederlandse vrouwen die we gisteren troffen slapen nog en terwijl we onze tent inpakken en onze spullen voor de zoveelste keer routinematig aan de fiets hangen, staan de eerste bergen al in het zonlicht. Terug op de hoofdweg dalen we eerst stijl af naar de Colorado rivier. We steken hem opnieuw over, alleen nu vijfhonderd kilometer verder zuidwaarts. Diep beneden ons kronkelt de modderige rivier, die we zo helder hebben zien beginnen. De oever kleurt groen door wat bomen en struiken terwijl de canyonwanden aan beide zijde wit kleuren. Daarboven is de wereld rood en met de opkomende zon lijkt elke kleur met elke minuut te veranderen.
Dan draaien we de hoek om, waardoor we weer zicht hebben op Lake Powell, waar de schaduw van de bergen weerspiegeld op het gladde water. We ontmoeten twee andere fietsers, een man en een vrouw, en toevallig ook op een donkere Koga. Ze fietsen ongeveer dezelfde snelheid, en na een tijdje zitten ze nog altijd naast ons. We stellen ons voor.

Meerdere droogstaande rivieren trekken, op de plekken waar ooit water heeft gestroomd, dunne groene stroken door het rode landschap. De Western Express klimt verder tussen de hoge canyonwanden. Nog altijd is alles stijl en ruw. Yvette fietst voorop, dan ik weer. De stilte tussen ons komt door de waanzinnige omgeving en een beetje door de stijlte van de weg.
Na twintig kilometer meldt de buik zich. De hoge wanden bieden genoeg schaduw om zo’n beetje overal te kunnen stoppen waar we willen. Yvette zet de stoeltjes neer terwijl ik de etenstassen van de fiets pak. “Dat wordt een karige pauze”, zucht ik inwendig nu het lage gewicht van de tassen mij herinnert aan de kleine hoeveelheid eten. Met zijn tweetjes eten we het hele pak met crackers leeg, maar dat is ook niet zo heel moeilijk.
Zo’n zestig kilometer voor ons ligt Hanksville, ook een klein dorpje, maar wel met drie winkeltjes. De helft van de route bestaat uit klimwerk, en de andere helft dalen we af.
Gedurende de klim verandert het scherpe rotsgesteente in rondere vormen. Gaten en holen in de stijle, bolle wanden verklappen dat het gesteente ooit vloeibaar is geweest. Als een soort opgedroogde lava. Maar toch is er meer dan alleen maar rood en rotsen, namelijk bloemen, in allerlei kleuren als geel, wit en rood natuurlijk.
Na een tijdje klimmen we de canyon weer uit, verandert de donkerrode kleur in zacht oranje en verschijnen er meer bollere heuvels. “Would you like to sleep with me in the desert, under a billion stars all around”, klinkt het nummer peacefull easy feeling van The Eagles. Het nummer herinnert me aan de afgelopen twee nachten. We keken samen naar de duizenden kleine lichtjes aan de hemel. Het was zelfs zo helder dat we de melkweg konden zien. Met het album van The Eagels op de achtergrond klim ik verder. De muziek past bij de sfeer van het landschap.
Eenmaal boven tilt de wind ons een beetje op en drijven we mee richting het westen. Langzaam komt Hanksville in zicht, het dorpje van zo’n tweehonderdvijftig inwoners. De canyon is nu volledig uit het zicht en wat resteert is een weids, roodgeel woestijnlandschap, vol glooiende heuvels en lage struikjes.
Windhozen trekken over de vlakte. De zon voelt heter en feller, en net op zo’n moment, als je zin hebt in een koud blikje drinken, stopt er een auto voor ons. De kattenbak springt open en daarin staat een koelbox met koude blikjes. Mijn ogen staren naar het blikje cola alsof het een oase is, maar de vreemde man rijkt het me echt toe. Druppeltjes condens rollen over het blikje omlaag. Yvette kiest voor wat water, en terwijl we de koude vloeistof naar binnen gieten ratelt de man aan één stuk over zijn fietsreizen. We vinden het beide allang prima.
De snelheid loopt weer langzaam op. “Waar zou Hanksville toch liggen, zucht ik tegen Yvette. Alles is hier zo ruw dat ik me nauwelijks voor kan stellen dat hier een dorp zou kunnen liggen.” Ze haalt haar schouders op, maar op het moment dat de weg opnieuw de diepte induikt zien we het eerste teken van leven.
Het dorp ligt tussen de glooiende heuvels en het stof van de woestijn. Het steakhouse, waar we door gebrek aan eten eerst een dikke hamburger bestellen, heeft ook een camping aan de achterzijde. De strakke grasmat oogt als een soort golfresort en misstaat bijna in de zanderige omgeving. Het tentje staat er voor twee dagen, want morgen houden we even een dagje rust. We willen een planning maken voor het laatste stuk, relaxen en lekker eten, maar van deze drie wensen komt er uiteindelijk maar één uit. Namelijk de planning. De drie winkels die het dorp rijk is zijn zo goed als leeg, wat het idee van lekker eten opeens een stuk bemoeilijkt. Ik vraag de dame achter de kassa nog wanneer er bijgevuld wordt? Ik krijg een iets ander antwoord als ik verwacht had. “Als de winkel leeg is.” Dat is hij toch, denk ik. Maar blijkbaar hebben we hier duidelijk te maken met een meningsverschil.
Na Hankville komt er meer grijs in het landschap. Daarbij neemt de ruwheid van het landschap af, en ontstaan er meer zandheuvels. De zon speelt met de schaduw en de omgeving heeft wat weg van een contrastkaart op google-maps.

De komende twee dagen staan in het teken van klimmen. In totaal zo’n twee-en-een-half-duizend meter, verspreid over zo’n tachtig kilometer asfalt, en ondanks dat het percentage gemiddeld amper boven de drie procent uitkomt, vallen de eerste meters mij toch behoorlijk zwaar. Ik voel me stijf door de slechte nacht. De rustdag in Hanksville heeft mij alleen de planning opgeleverd, en met moeite wat te eten, maar van dat relaxen is niets gekomen. Dat kwam omdat ik het blog wilde uploaden, maar in plaats daarvan verdween opeens alles van de afgelopen dagen. Ik baalde ontzettend. Zelfs in zulke grote mate dat ik de telefoon wel weg kon gooien, maar nog net op tijd kreeg ik een helder moment waarin ik besefte dat ik daar niets mee zou bereiken. Mijn rustdag ging dus voornamelijk voorbij met herstelwerkzaamheden aan dit blog.
Als we een uurtje op de fiets zitten en de ochtendkou zo goed als verdwenen is, voel ik mij langzaam soepeler worden. Yvette fietst achter me met het reflecterende hesje aan. Ondanks het klimmen vlotten de meters lekker en als ik om me heen kijk heb ik het gevoel dat we ergens op de maan fietsen. Utah kent echt een ongelooflijk ruw, desolaat en onbegaanbaar landschap. Er is al dagen geen huis naast de weg te vinden, maar dat begrijp ik goed. Iedereen zou hier wel willen wonen, maar hier valt niet te wonen. Geen meter is vlak. Geen boom houdt het hier vol en geen dier vindt hier water. Toch verschijnen er opeens zonnebloemen in de gebroken, droge woestijnaarde.
Dertig kilometer verder naar het westen krijgt het maanlandschap zijn ruwheid weer terug. De weg wordt ingesloten door stijle wanden van wel vijftig tot honderd meter hoog. De weg is aangelegd naast de rivier, een andere vorm van begaanbaarheid lijkt ook niet mogelijk te zijn. De gigantische rotswanden, welke loodrecht omhoog lopen, maken ons klein en kwetsbaar, maar kennen ook een ongelooflijke schoonheid.

Net voordat de weg stijl begint te worden bereiken we Fruita. De naam is niet toevallig gekozen, want overal groeien fruitbomen. Het dorp ligt in een bredere kloof en dat maakt het leven hier iets makkelijker, al blijven de wanden hoog, stijl en rood.
We passeren een oud schoolgebouwtje. Het huisje is gebouwd in 1896 en heeft, ondanks zijn grote van vijf bij drie, ook gediend als dansplek, vergaderruimte en lokaal dorpsgebouw van Mormonen.
Op de camping ontmoeten we Connie en Inge weer, de twee Nederlandse vrouwen. We delen een tentplek en omdat het nog vroeg op de dag is, is er tijd voor wat rust. Het strandmatje ligt onder me op het gras als ik mijn ogen sluit, en het duurt niet lang voordat ik even in een andere wereld ben. Toch maakt de tijd mij na een uurtje weer wakker. Het is vier uur en ik wil vroeg eten zodat ik nog een hike kan lopen. Fruita ligt in het Capitol Reef National Park. Een park dat zijn naam te danken heeft aan een gigantisch lange bergrug, hier reef genoemd, die zich naar het zuiden uitstrekt. Dichtbij de camping begint mijn hike. Yvette zit in haar boek, en degene die haar goed kennen weten dat je wel een heel goede reden moet hebben om haar daar vanaf te krijgen.
Tijdens de eerste passen word ik meteen geconfronteerd met futloze benen. De klim van vandaag lijkt alle energie eruit gezogen te hebben en na een tijd besluit ik toch maar rustig aan te doen. Morgen moeten we tenslotte ook nog de hele dag klimmen.
Het is inmiddels zeven uur en de zon zoekt zijn weg naar beneden. De bergwand, bestaande uit rode, grijze, en beige kleuren wordt in het prachtige avondlicht gezet als ik op de terugweg ben.

Het laatste deel van de klim brengt ons de volgende dag in zeven uur naar boven. Daar treffen we na dagen woestijn weer eens een groene omgeving aan. Dennen en loofbomen, waar de eerste herfstkleuren al in zitten, sieren de helling.
Achter ons zien we de rode, ruwe en oneindige canyonwereld waar we vandaan komen, gehuld in wat lichte mist.
Boven voelt de lucht wat koeler, net als de wind en dat maakt de klim stukken prettiger. Er is ook meer leven. Sprinkhanen springen op, slaan hun rode of gele vleugels uit en vliegen een eindje voor ons uit, waarna ze weer landen en uit het zicht verdwijnen door hun gecamoufleerde kleur. Het stijgingspercentage van de klim varieert van vijf tot tien procent, en ondanks dat we daar al vaker mee gedeald hebben, voelt deze zwaarder. Misschien komt het door zijn lengte, of zijn onze benen gewoon nog moe? Met de geur van bloeiende bloemen maken we de laatste kilometers en rond drie uur is het goed geweest. We zijn bijna boven, en ondanks de vele campings zoeken we een plek in het wild. Niet zozeer vanwege de kosten, maar vanwege het uitzicht. Want dat is altijd vele malen mooier als je zelf je eigen camping maakt!

Met slechts drie graden klimmen we naar het hoogste punt. Voor Europeanen ligt dat gelukkig stukken lager dan voor de Amerikanen, want een Amerikaan moet tot 10.000 feet klimmen terwijl wij maar tot 3000 meter hoeven. De zon is net boven de bergen uit, maar toch dragen we nog handschoenen, een lange broek en een jas. Naarmate we afdalen verdwijnt de kledinglaag, net als de Aspen bomen, de bloemen en de vele herten die we vanochtend de weg over zagen steken. En na twintig snelle kilometers zijn we weer terug tussen de rode en witte canyons. De weg voert over een bergkam, met aan beide zijde een diepe witte canyon. Groen is alleen terug te vinden op de plek waar soms water stroomt, voor de rest is het weer allemaal woestijn. Met veertien procent dalen we af naar zo’n rivier welke we eerst van boven zagen. Beneden, tussen de muren van steen, is het bloedheet en zelfs na een slok water blijft de dorst aanwezig. We passeren een koffiehuis, en juist daar treffen we de Nederlandse dames weer. We kletsen even bij over onze afgelopen nacht en besluiten om vanavond samen een kampeerplek te delen.
Om uit dit dal te komen moeten we opnieuw klimmen en naarmate we hoger komen verlaten we de smalle canyonwanden. “You earn a star in heaven”, schreeuwt een oude man vanuit zijn autoraam met opgestoken duim. Daar ben ik nog niet zo zeker van denk ik tijdens het klimmen. Maar langzaam komen we boven. Wit is de dominante kleur in deze weide wereld van steen, en de zwarte weg die er doorheen loopt, is prachtig als we eenmaal boven zijn.

We bereiken Escalante en voor het eerst in dagen treffen we weer eens een echte winkel aan. We gaan tweemaal naar binnen. Een keer voor de lunch en de tweede keer voor de echte inkopen. Escalante heeft een statepark camping met douche en net als we in willen checken zie ik Connie bij het andere luikje staan. Even later staan we gezamenlijk op een veldje. De dames reizen deels samen. Connie werkt nog en moet daardoor eerder naar huis. Inge, die helemaal geen Inge blijkt te heten maar Welmoet (Ja, we moeten goed opletten met deze dames) is net gepensioneerd en trekt nog even door als Connie naar huis gaat. Ze heeft tenslotte de tijd.
De avond vullen we eerst met een korte hike naar wat versteend hout, wat tal van prachtige kleuren heeft gekregen in de miljoenen jaren dat het onder de grond bedolven heeft gelegen. Daarna settelen we ons aan de picknicktafel, koken we en kletsen we over eerdere reizen. Het is wederom een gezellige avond, en langzaam begin ik in te zien dat deze twee vrouwen nog wel eens goed gebruik maken van hun leeftijd.
Tachtig winderige kilometers verderop staan we in Bryce Canyon. Het gelijknamige dorpje lijkt wel een kermis ten opzichte van alle minder bekende nationale parken. Hotels staan zijn aan zij. Reclameborden met niet te missen avonturen schreeuwen om aandacht. Bussen rijden af en aan om de massa’s mensen aan en af te voeren en parkeerplekken staan overvol met auto’s, campers en motoren. We gaan opzoek naar een camping, maar waar ik al bang voor was gebeurt. “44 dollar voor een tentplek!!”, zucht ik tegen Yvette als ik van de receptie naar buiten loop. We fietsen een rondje over het terrein en treffen een groepje van vier meiden aan. Ik vraag of ze een plek willen delen? Ze knikken enthousiast en opeens draaien de kosten zich terug naar 22 dollar. Maar dan komen Connie en Welmoet opeens de hoek om, en dat terwijl ze vandaag niet tot hier zouden fietsen.. “Ja sorry dames, ik heb jullie net ingeruild voor vier jonge meiden”, glimlach ik. Ze lachen mee en even later delen we met zijn achten een plek en draaien de kosten zich terug naar 11 dollar per stel.

In Bryce willen we een extra dag spenderen omdat het zo mooi schijnt te zijn, en aan alle aandacht rondom de canyon te zien zal daar toch wel een kern van waarheid in zitten. De volgende ochtend, wanneer de temperatuur amper boven de nul graden uit komt en iedereen nog slaapt, pakken wij de eerste shuttelbus naar het zogenaamde spektakel. De chauffeur is een kale, niet uit het fijnste hout gesneden, man met een hese stem, die zijn kleine groepje publiek graag op een grappige manier op hoogte stelt van de slimheid om zo vroeg in de canyon te zijn. Want straks, deelt hij mede, vloekt iedereen omdat alle parkeerplekken vol zitten, de trails overvol zijn en de rust ver te zoeken is. Daarbij is het nu nog koel. We stappen uit bij ‘Inspiration point’, en niet veel later aanschouwen we een wereld waarin duizenden kleine torentjes rechtop zijn blijven staan terwijl water de zachte lagen weg heeft gespoeld. Oranje kleuren wisselen wit af en het vroege zonlicht laat enkele torentjes zelfs doorzichtig lijken. We blijven kijken, van links naar rechts en even krijg ik het gevoel dat we in een soort wonderland staan.
Er gaan verschillende hikes naar beneden. Via een stijl haarspeldenpad zakken we af. De torentjes leken zo klein, maar nu wij beneden staan, we omhoog moeten kijken, zijn wij opeens klein. We lopen verder. Naaldbomen hebben zich op de meest smalle en ongemakkelijkste stukken weten te wortelen. Door de zon lijkt het of de omgeving in brand staat, en bij elke stap die we zetten is de omgeving anders. Anders van kleur, van vorm en van grootte. Sommige stenen balanceren op slechts een heel klein beetje ondergrond en je weet gewoon dat dit een keer gaat vallen.
De weg terug naar boven is er één die waar we morgen wel eens last van kunnen hebben. Stijl, smal en inmiddels ook druk. Terwijl zo’n beetje heel Bryce Ville zich inmiddels in of om de canyon bevind duiken wij in de hot tub op de camping. We zijn de enige en dat voelt na zo’n pittig stukje wandelen best relaxt.
s’ Avonds lopen we even door het dorp en treffen we Connie en Welmoet weer. Ze zitten op het terras, een plek waar je ze kunt vinden als je ze zou zoeken, en we schuiven aan. Tot half elf kletsen we over van alles en nog wat. Toekomstplannen, het leven thuis, reizen enzovoorts. Het is wederom erg gezellig, maar omdat hun nog een dagje blijven en wij morgen weer verder gaan is het hoog tijd om naar de tent terug te keren. We treffen elkaar waarschijnlijk weer in Zion National Park, over twee dagen.

Scenic byway 89 zal ons naar het zuiden voeren. Maar van scenic byway hadden ze beter skunk byway kunnen maken, want de stank van dode dieren overheerst ver boven enige vorm van uitzichten. Eigenlijk zijn er niet eens mooie uitzichten. Overal ligt troep, staan oude vervallen gebouwen of liggen aangereden herten. Vooral dat laatste lijkt een groot probleem hier, en gezien het feit dat er iedere kilometer twee of drie dode, onthoofde of verscheurde dieren liggen, weet ik zeker dat hier menig auto totaal los is gereden.
Buiten dat de weg alles behalve scenic is hebben we ook nog zo’n beetje alle factoren van het weer tegen ons. Wat begint met een zonnige, warme ochtend verandert tegen elf uur in een extreem winderige, koude dag met later ook nog hagel en regen. Maar het is vooral de wind die ons het meeste tegenwerkt, want terwijl die zijn best doet zo hard mogelijk naar het noorden te blazen, doen wij ons uiterste best ons naar het zuiden te verplaatsen, en dat valt nog niet mee. Met een gemiddelde snelheid van tien kilometer per uur kruipen we vooruit. De energie die we er voorover moeten hebben is groot, en dat is juist de reden dat ik liever in de regen fiets dan in de wind. Maar na een aantal uurtjes ploeteren, de stank van dode dieren opgesnoven te hebben en ons uiterste best gedaan te hebben om iets scenics te vinden, bereiken we Longville Junction.
Longville Junction is niet meer dan een kruispunt met een tankstation, maar binnen is het warm en hebben ze thee. Ik wil ook een hamburger, maar die mag ik zelf maken, welke ik natuurlijk extra dik beleg. Ik zie ook een kans om een extra lekker broodje te pakken, welke eigenlijk voor de ribs bestemd zijn, maar van Connie en Welmoet heb ik geleerd dat je soms dingen moet doen alsof je het niet begrijpt.
Met een volle maag en een warm gevoel trekken we verder. Gelukkig gaat de route vanaf hier bergaf, wat de snelheid ten goede komt, maar helaas niet de kou. Het is vooral een vreemde gedachte dat het gisteren nog dertig graden was, de zon overal aanwezig was en dat je zonder zonnebrand zou verbranden. Nu fietsen we met de regenkleding aan, welke vervelend schuurt door de vele lagen die over elkaar gekleed zijn.
De eerste camping die we tegenkomen vraagt weer buitensporige prijzen dus zoeken we verder. Een parkeerplek lijkt een goede tweede optie, maar overal staan borden dat kamperen verboden is dus zoeken we opnieuw verder. Een onverharde zijweg lijkt een goede derde optie, en als tegen vijven de tent op een redelijke plek staat begint het opnieuw te regenen. We kruipen snel naar binnen en relaxen even voordat we willen gaan koken. De matjes voelen comfortabel, zeker na deze winderige KRRBANGG!!, klinkt het direct na de intense lichtflits. Een abnormaal sterke wind trekt aan. Buiten ziet het opeens gitzwart en snel ritsen we het laatste raampje dicht. Een nieuwe donderslag volgt vrijwel direct en het geluid van de knal klinkt des te angstaanjagender door de smalle canyon waar we ons tussen bevinden. Met handen en voeten duwen we tegen de binnentent om het geheel staande te houden, terwijl het buitenzeil met alle kracht die de wind in zich heeft het zaakje naar binnen probeert te drukken. De pijnslagen van de hagel zijn voelbaar door beide tentdoeken. De eerste tekenen van doordringend water zijn al zichtbaar, en wanneer ik even een kans zie om buiten te kijken wat er in vredesnaam gaande is zie ik dat de wereld om ons heen langzaam wit begint te worden van de neerslaande hagel. Opnieuw wordt de wereld voor een seconde verlicht, de knal volgt iets later. Yvette ligt nog altijd op haar rug met haar benen tegen het doek gedrukt, om ons kleine koepeltje rechtop te houden. De rivier naast ons ziet bruin van de modder terwijl hij bij aankomst zo helder was. Gelukkig staan we twee meter hoger, maar de gedachte van een overvloed is moeilijk weg te denken nu ik buiten heb gezien wat er gaande is.

Maar ook hier in Utah komt na een storm een gewone regenbui, en niet veel later zwakt de hele hevigheid af totdat er alleen een donkere lucht overblijft. Buiten is alles wit. Hagelsteentjes ter grote van knikkers liggen tot wel vijf centimeter hoog naast de tent. Ons huisje staat gelukkig nog rechtop, net als de fietsen, maar zoveel wind heeft hij nog nooit voor zijn kiezen gehad. Als de schrik gezakt is en we een vlugge pastamaaltijd in de maag hebben is het al, of beter gezegd nog steeds, donker buiten. Lichtflitsen weerkaatsen nog altijd tegen het wolkendek, maar voor de rest blijft het rustig.
s’ Ochtens staan de tassen stijf van het ijs, net als onze handen tijdens de afdaling. Ontbeten hebben we nog niet, dat doen we wel als de zon op is, was onze gedachte en als we Glendale bereiken bereikt ook de zon het punt om zich te laten zien. We zetten thee, eten rustig en vertrekken pas richting Zion als het lichaam weer soepel is. De scenic byway krijgt wat meer van zijn veelbelovende naam, maar dat kan ook komen omdat vandaag de hemel blauw is en er nauwelijks wind waait.
Net voor Zion National Park zetten we opnieuw de tent op. Het noodweer van gisteren verdampt langzaam van en uit de zeiknatte tent, en na een uurtje is de storm van gisteren slechts een avontuurlijke herinnering in de brandende middagzon.
Zion National Park ligt nog een aantal kilometer voor ons, maar de weg ernaartoe zakt een aantal honderd hoogtemeters en dat was voor ons reden genoeg om hierboven te blijven met al onze bagage. We moeten tenslotte via dezelfde weg terug, en om dan eerst al je spullen naar beneden te brengen en ze vervolgens via tal van haarspelden weer omhoog te trappen, zien we niet zo zitten.
Om negen uur in de ochtend staan we met onze duim opgestoken naast de kant van de weg, opzoek naar iemand waarmee we naar beneden mogen rijden. Auto voor auto rijdt aan ons voorbij. “Dit voelt telkens als een afwijzing”, zucht ik als we na vijf minuten de zoveelste auto voorbij zien rijden zonder dat er iemand stopt. Fietsen is niet echt een optie omdat er ook nog een tunnel op de route ligt welke voor fietsers verboden is. Als we dat wel zouden doen dan zouden we ook nog een lift moeten vinden waarbij we onze fietsen mee moeten nemen. Yvette loopt naar de parkeerplek van de camping. Ik weet niet of ze al haar charmes in de strijd heeft moeten gooien, maar we mogen gelijk mee met de 41-jarige John, welke in een witte Jeep rijdt. De autostoelen voelen comfortabel, en langzaam flitst het waanzinnige, ruwe landschap van Zion aan me voorbij. Stijle wanden van wel duizend meter hoogte steken recht omhoog uit de smalle canyon, gehuld in een roodoranje kleur. Beneden stappen we over op de shuttlebus, en met John hebben we afgesproken dat als hij er straks nog staat, we mee terug mogen liften. Het is inmiddels tien uur en de bussen zitten al overvol. Zo’n vier miljoen mensen hebben deze zomer dit park bezocht en al deze nieuwsgierige tweevoeters centreren zich in deze smalle kloof met diverse hikes. Wij starten met de paardentrail, welke, zoals de naam al aanduidt, eigenlijk door paarden gelopen wordt. Maar juist daarom lijkt hij ons zo mooi, want er zijn hier veel minder paarden dan mensen. Het pad is mul. Cactussen groeien overal. Loofbomen hebben zich weten te wortelen tussen het ruwe gesteente. Links en rechts wordt de wereld begrenst door de stijl oplopende bergmassa. Kortom Zion is fantastisch.

We lopen de dag stuk. Terug op de parkeerplek zien we inderdaad een witte Jeep staan, maar eerst kijken we even of Connie en Welmoet toevallig op de camping staan. Ze zijn er, samen met Harry, een gepensioneerde man die op de fiets is gestapt en de wereld over wil trekken. We hebben hem, net als de twee Nederlandse dames nu meerdere malen getroffen en dat vormt samen een leuk clubje. We kletsen even en nemen afscheid, maar niet voorgoed, want we mogen als we in Nederland aankomen bij Connie logeren in Amsterdam.
Terug op de parkeerplek treffen we tot onze verbazing John weer, en dat tussen deze duizenden bezoekers. Hij bleek bezorgt om ons, en heeft gewacht omdat hij bang was dat we -tussen al deze duizenden bezoekers- niemand meer konden vinden die ons mee naar boven wilde nemen. Die avond delen we samen een campingplek, wij koken voor hem mee, en hij zorgt op zijn beurt weer voor een kampvuur. Het is fantastisch en waanzinnig tegelijk hoe leuk en snel we mensen leren kennen. Zo sta je te wachten op een lift, en zo ontmoet je iemand waar je ook nog een gezellige avond mee beleeft.
Een dag in Zion leek mij niet genoeg, dus zak ik de volgende ochtend, dit keer wel met de fiets, terug af naar de smalle kloof. Ik wil een hike lopen, en wel direct de ruigste eruit: Observation point. Yvette is op de camping en neemt een dagje rust. Misschien wil ik dat morgen ook wel, want er wacht mij na deze twee uur durende klimtocht nog eenzelfde spectaculaire afdaling, een vijfentwintig kilometer lange klim op de fiets om terug op de camping te komen, inclusief het zoeken naar een lift voor mij en de fiets om door de beruchte tunnel te komen. Misschien heb ik er toch weer een te zware dag van gemaakt, pieker ik wanneer Observation Point in zicht komt. Zeker omdat mijn spieren gewend zijn om te fietsen, en niet om dertien kilometer te hiken door de bergen. Maar die zorg is voor morgen. Dan vertrekken we naar de Grand Canyon en beginnen we aan de allerlaatste dagen. Nu is het tijd om van het uitzicht te genieten, want ik ben helemaal naar de rand gelopen. Heel Zion ligt voor me, alleen duizend meter dieper. De kloof, de rivier die zijn weg erdoorheen zoekt, de witte en rode muren die het park zo mooi maken en de uiteindelijke boomgrens waar het gebergte opeens ophoudt en de canyon begint. Ik geniet, wel een uur lang, want dit is echt prachtig, net als heel Utah dat eigenlijk was!!

Paul Boumans