Palermo, de hoofdstad van het eiland Sicilië. Sicilië en Italië blijken niet hetzelfde te zijn heb ik me laten vertellen, maar waar deze gevoeligheid hem in zit weet ik niet precies. Een boeiend vraagstuk dus en mocht ik er een antwoord op vinden dan zou dat deze trip completer maken. 

Precies om 19:30 zet ik mijn eerste stap op Siciliaanse bodem. Het vliegtuig is ruim 20 minuten eerder geland. Een strenge oosten wind blaast een duidelijke zeelucht in mijn gezicht. “Dat betekent wind tegen”, denk ik meteen.. Koud is het echter niet. In tegendeel zelfs. Ik schat het minimaal 20 graden, ondanks dat het avond is.

Mijn fiets zit nog in het ruim van het vliegtuig, tenminste dat hoop ik, want zonder mijn trouwe vervoersmiddel kan ik niet datgene doen waar ik voor gekomen ben. Het eiland rondfietsen en Sicilië ontdekken. Bijvoorbeeld het klifdorpje Cefalu in het Noorden, de meer dan 3000 meter hoge Etna vulkaan, of Catania een Siciliaanse stad ten oosten van het eiland met een grote markt. Maar eerst Palermo. Compleet en wel sta ik op Falcone e Borsellino, de luchthaven van Palermo, welke vernoemd is naar twee beroemde rechters die in de jaren ’90 vermoord werden door de maffia. De maffia regeerde hier vooral in de jaren na de tweede wereldoorlog. Pas na 2000 kwam hier een einde aan. En dat komt goed uit, want dan kan ik met een gerust hart mijn rondje maken. Er staan ongeveer 1000 kilometer op mijn planning en daar heb ik 14 dagen de tijd voor. Ik begin ten Noorden en fiets langs de kust en door de binnenlandse bergen naar het Oosten. Via de Oostkust zak ik af en vervolg ik mijn tocht door de zuidelijk binnenlanden, terug naar de hoofdstad Palermo.

Toch is de maffia niet geheel verdwenen. Ze zijn voornamelijk actief binnen de politieke grenzen. Zo draagt meer dan 25% van de Siciliaanse bedrijven een paar procent belasting af wat de organisatie zo’n anderhalf miljarden per jaar opleverd. Tel daar nog eens zo’n bedrag aan wapenhandel bij, plus nog een slordige 8 miljard aan drugshandel en je mag spreken van een goed draaiende business.

Met fiets en al rij ik per bus naar het centrum van de stad. De luchthaven ligt zo’n 30 km van het centrum en daar kwam ik dit keer wat later achter. Mijn AirB&B was reeds geboekt, maar toen ik de vrouw des huizes sprak, en een poging deed haar uit te leggen dat ik pas rond 22:00 uur zou aankomen vroeg ze, “Hoe laat land je?”.

“Om 20:00uur.”
“Ow, dan zie ik je om 20:30, het is zondag toch altijd rustig op de weg!”
Ze klonk nogal overtuigd, maar voordat de bus zich door de menigte had gedrukt was het toch echt al na negenen. En toen begon het opbouwklusje van mijn fiets nog, wat onder toezicht van een aantal nieuwsgierige gebeurde. Daarna kon ik al fietsend mijn weg richting het B&B vervolgen. Het is 22:20 als Guilio de grote houten deur voor mijn neus opent en me welkom heet. 

“Dit is je kamer, in de vriezer staat pasta en soep en op tafel liggen broodjes met nog een stuk gebak. Verder is er om de hoek een goede kebabzaak en iets verder door een pizzeria.”

Perplex van de goede zorgen en de inmiddels toeslaande vermoeidheid drop ik mijn spullen. De fiets past net door het trappengat, en daar moet ik het stuur een beetje voor gedraaid houden. Het gangenstelsel is opgetrokken uit wit met roze marmer. De tredes zijn smal en overal zijn deurtjes naar andere woningen. Je zou het een doolhof kunnen noemen. Binnen zoek ik snel de douche op om daarna in de stad opzoek te gaan naar die ‘goede’ kebabzaak. Die vind ik en nog geen half uur later lig ik in bed. Genoeg gedaan vandaag.

Hoe laat zal het zijn, denk ik als er een beetje licht door het raam naar binnen schijnt. Half zeven zegt mijn gsm. Poeh, dat was dan een korte nacht..
Palermo zelf heb ik binnen het kwartier dat ik boodschappen deed meteen gezien. Wat een bende hier. Ik sjouw mijn spul naar beneden en trap vlug in de richting van de zee. Daar tref ik nog meer troep aan dan de binnenstad al had. Wat kunnen die Sicilianen een zooitje achterlaten zeg. Dat hebben ze toch gemeen met de Italianen, kan ik me nog herinneren van de trip naar Rome. Ik vervolg mijn tocht in oostelijke richting. Weer rits ik mijn ritsje van mijn trui open omdat ik niet weet of ik het nu warm of koud heb. Misschien is het dat ook wel, ik heb het beide. Boven me is het bewolkt en doordat ik me tussen woonwijken of open zee bevind maakt de wind het verschil tussen warm of net te fris. Net als de zon die zich soms even laat zien. 

De kustlijn gaat gepaard met vervallen gebouwen, troep, stank en hier en daar een tankstation of een winkel. Pas na Aspra krijg ik voor het eerst een mooi uitzicht. Zo’n 15 km verderop.

Gedurende de dag voel ik mijn benen zwaarder worden. Mijn schouders en onderarmen voelen beurs van het gesjouw van gisteren. Ik gun mezelf wat meer pauzes en kom toch nog tot net voor Cefalu, zo’n 70km vanaf Palermo. Niet geheel tevreden over de kuststrook-trip check ik in op een camping. Ik kies een rustig plekje helemaal achteraan op het terrein. Hier vind ik het plaatje waar ik op gehoopt had. De mooie kant van de zee!

De laatste vijf kilometer tot aan Cefalu fiets ik de volgende ochtend dicht. Ik voel me uitgerust, al is de spierpijn nog niet helemaal verdwenen. Verder heb ik heerlijk geslapen in mijn nieuwe, kleine éénpersoons tentje.

Cefalu is prachtig. Misschien wel te mooi om het na een paar straatjes doorgefietst te hebben te verlaten. Maar alles zien lukt toch nooit.. Ik heb een goede indruk, en daar doe ik het voor:)

Cefalu verlaten betekent voor mij klimmen. Vanaf hier trek ik de bergen in. Al snel vind ik waar ik naar zocht. Natuur en rust. Het landschap kleurt groener. Bomen, struiken, bloemen en vogels vormen een ware jungle. Daartussen wordt gewerkt. Het lijkt olijventijd. Verschillende boertjes zijn met netten, ladders en een soort harken de bomen leeg aan het trekken.

In Sisi-autootjes of Fiat Panda’s met kisten op het dak, wordt de oogst verzameld en verder getransporteerd. Ik geniet, temeer van de uitzichten die zich vormen naarmate ik hoger kom, maar ook omdat ik het idee heb dat ik het echte Sicilia binnen getreden ben. Geleidelijk wordt de lucht frisser. De zon komt en gaat door voorbij trekkende wolken. Verder naar boven vormen meer bomen de flora. Oude eiken, kastanjes, vijgen (waar ik niet vanaf kan blijven) en hier en daar een oude, dikke en ruwe olijfboom, propvol met olijfjes.

Net wanneer ik denk dat dit toch wel eens een hele pittige en vooral lange dag kan gaan worden krijg ik de verwachting dat het wegdek zometeen gaat dalen. Mijn gevoel klopt. Of daarmee de lange dag ook verdwijnt weet ik niet, maar het pittige is er even vanaf. Voor mij opent zich een dal omringd door hoge en stijle rotswanden. Ik daal af. Mijn snelheid loopt langzaam op en sinds uren wordt mijn snelheid weer door twee getallen aangegeven. Beneden ligt Isnella, als een blokkenspel tegen de bergen gestapeld. 

Ik zak verder af, met in het vooruitzicht dat de weg toch weer omhoog klautert. Och, er komt een tijd dan rijd ik daar, daar op die haarspeld welke nu nog zo ver voor me ligt.

De rit naar Castelbuono gaat geleidelijk op en af. Ik merk dat het klimmen me niet meer eigen is. Mijn benen voelen zwaar. Ik moet me vooruit pushen. Eenmaal daar wacht me een prachtig dorp. Smalle straatjes, betegeld met keitjes en marmeren platen in een patroon dat diagonaal over de weg loopt. De hobbelige weg brengt me tot aan de kern. Op het plein zijn terrasjes om de fontein geplaatst. Ik zet me neer. “Vorrej uno Cola, Grazie.” De eerste woordjes Italiaans zitten erin, want ik krijg inderdaad mijn Cola. 

Ik wil nog een stukje door. Gangi is op papier mijn eindbestemming, maar met veel doorzettingsvermogen en wilskracht bereik ik al klimmend Geraci Siculo, zo’n 15 km voor Gangi. Het dorp rust op een rotspunt en is werkelijk een plaatje, al kan ik er momenteel wat minder van genieten. Met nog slechts een half uur licht zoek ik dringend een plek voor de nacht. Ik bevind me op, pak en beet, 1100 meter en de snijdende, koude wind liegt er niet om. Optimistisch dat ik was dacht ik hier wel een boer te vinden met een lapje gras, maar het dorp rust op zo’n bizare rotspunt, dat de boeren die er zijn zich minstens vijf- tot zeshonderd meter beneden me in het dal bevinden. Slechts te bereiken via bizar stijle paadjes. De inwoners van het dorp zelf zitten binnen, en dat komt niet vanwege het prachtige weer of hun mooie tuin. Niemand heeft hier een tuin. De huizen staan zij aan zij en men mag blij zijn met een balkon waar met geluk een stoel op past. Zoekend naar welk vlak stukje gras dan ook kruip ik voort. Aan de andere kant van het dorp heb ik nog niets en inmiddels is mijn licht van de fiets aangesprongen. Dan maar verder, al protesteren mijn benen nu echt. Welke keus heb ik overigens? Voor me ligt nog een pas, ergens verdwenen in die grijze wolkenmassa voor me, en met die wetenschap tracht ik echt elke lap gras voldoende. Ik vind een opritje naar een weide. Perfect! Tent rechtop, koken en basta. Binnen in mijn tentje is het goed vertoeven, maar buiten zakt het kwik met de minuut en nog geen half uur later is het beneden de 10°. 

De nacht breng ik ondanks mijn weggestopte plekje goed door. Eerlijk gezegd stond ik best strategisch. Uit het zicht en uit de wind, maar normaal ga ik voor mooie uitzichten. Vanacht moest ik het met een paar lichtjes in de donkere vallei doen, een paard in de weide ernaast en verder klonken er bellen van koeien, die blijkbaar ook ’s nachts doorgrazen..

’s Ochtends is het koud. Dikke wolken kleven aan de bergen. Eerst oranje door de opklauterende zon, later grijs en zo te zien vol met regen.. Ik klim gestaag verder waar ik gisteren geëindigd was. Binnen een half uur sta ik op de pas. De omgeving kleurt bruin van de omgeploegde velden. De valleien zijn diep en breed.

Ik daal af naar Gangi, koop een chocoladebroodje en fiets verder. Naarmate ik verder daal komt de warmte terug. Aan deze kant van de pas prikt zelfs de zon af en toe door. Op naar Sperlinga. Het dorp is net als alle andere tegen de bergen gebouwd en oogt mooi met alle gekleurde gebouwen. Smalle eenrichtingsstraatjes maken het dorp begaanbaar. De meeste stijl, heel stijl. Er blijkt warempel een winkel te zijn, maar die stelt niets voor. Vers spul is er niet, en in de kaas lijkt zo weinig omzetsnelheid te zitten dat ik het niet aan durf. Op het plein, waar ik mijn pauze houd kom ik aan de praat. Niet dat we elkaar echt begrijpen, maar we communiceren. De beste man, gekleed in een groen colbertje, das, ruitjes blouse en (draagt zoals elke Siciliaan) een zonnebril. Hij vertelt enthousiast. “Cyclo du moto, Italia”, met het gebaar dat hij een ronde heeft gemaakt. Er komt nog iemand bij. Zo lang en smal als de eerste meneer is, zo klein en propperig is de tweede. De lange haalt een foto uit zijn beurs met daarop zijn motorfiets en hij. Ik kijk erna. Dan draait hij de foto om. 6-9-1925. Ik wijs naar hem. Hij is potverdorie 92! 

We schudden elkaar de hand en geleidelijk zak ik af naar Nicolia. Het dorpje is levendiger dan het vorige. Wat me opvalt is de grote hoeveelheid bloemen die verkocht wordt vandaag. Niet alleen hier, maar in elk dorp. Van een spaans stel verneem ik dat het vandaag een feestdag is wat door de katholieke gevoerd wordt. Iedereen brengt dan bloemen naar de kerk. Alles is dan ook gesloten.

Na Nicolia wacht me wederom een klim. Vandaag gaat me dat stukken beter af dan gisteren. Het is altijd even wennen de eerste dagen. Mijn route loopt het Nebrodi natuurgebied in. Het valt me op dat ik altijd vanaf een bepaalde hoogte de bomen terug krijg. De lager gelegen gebieden bestaan uit velden of landbouwgrond. Hier is het volop herfst. Geel, rood en koperkleuren sieren de hellingen. Diep beneden me ligt het helderblauwe stuwmeer zoals de kaart al schetste. Het is een plaatje.

Eenmaal de top over zak ik af. De weg is slechts een spoor gebarsten asfalt, met in diverse bochten waarschuwingsborden dat de weg verzakt is. Dit varieert van enkele decimeters hoogteverschil tot verzakkingen van meters. Oppassen dus! Naarmate ik lager kom, komen de landerijen weer terug. De diversiteit aan kleuren is wederom prachtig.

De huizen die er staan zijn vervallen. Degene die bewoond zijn, zijn dat meestal door een kudde schapen met ‘helaas’ twee waakhonden erbij om de dieren te beschermen. En dat doen ze goed, ook al wil ik de schapen niets aandoen. Meerdere malen moet ik naar mijn zweep grijpen, maar tot echte actie komt het gelukkig niet. Er is één huis dat echt bewoond wordt, en gezien de tijd lijkt het mij een prima gelegenheid hier eens aan te kloppen. Een vrouw van middelbare leeftijd is buiten. “Parla Iengleezee?”. Ze schudt nee, maar haar dochter komt te hulp. Of ik mijn tentje ergens mag opzetten? Maar dat wordt afgewezen. Ik moet dus verder. Langzaam klim ik weer voort. Rechts ligt het diepe dal met aan de andere kant de weg, waar ik eerder overheen gereden ben. Links staan bomen en zoals bijna overal staat er een hek omheen. Verderop komt een splitsing en aangezien daar geen hek is neem ik de plek met beide handen aan. Het wordt een nacht op een mistige berghelling, want ik zie de wolken langzaam naar beneden komen. Met het gepiep van knaagdieren om me heen ga ik de nacht in. Verder is het stil.

 

Tegen zes uur ben ik wakker, wat ik overigens niet gek vind omdat ik om acht uur ben gaan slapen. In deze tijd van het jaar zijn de dagen eigelijk net te kort om nog te kamperen. Maar bij gebrek aan beter moet het soms. De bewolking is omhoog getrokken en lijkt langzaam te verdwijnen door de opkomende zon. Dat is mooi, en nog eenmaal geniet ik van het schitterende uitzicht voor ik vertrek. Ik vervolg het brokkelige asfalt richting Casaró. Het valt me op dat er langs deze afgelegen wegen minder troep langs de weg ligt. Bocht na bocht klauter ik verder. De zon is nog altijd hard bezig de wolken te verdrijven en de aarde een stukje warmer te maken. Opeens zie ik een gigantische berg voor me. “Dat moet de Etna zijn!” Waaw!!

Verbaasd over de aanwezigheid van deze reus fiets ik voort. Naarmate de ochtendwaas verdwijnt wordt de sneeuw om de krater duidelijk. Mijn oorspronkelijke plan was om de Etna via de noordzijde te passeren en dan aan de zuidkant naar boven. Maar naarmate mijn dag vordert pakken de wolken zich samen om deze reus. Dat betekent waarschijnlijk dat de vulkaan alleen in de ochtend vrij is voor een beklimming.

In Bronte, een stad ten noordwesten van de Etna besluit ik om direct via het zuiden te gaan. Het scheelt me een hoop kilometers en klimwerk. Ik probeer vandaag zo ver mogelijk te komen en als het mee zit klim ik hem morgen op. Met dit plan verlaat ik na een kleine boodschap en lunchpauze Bronte. 

De smalle weggetjes voeren me over een eenzame, bochtige weg naar boven. Het is aanpoten. De bergrug is bezaaid met dikke villa’s, al valt het me op dat alle luiken dicht zijn en er nergens niemand thuis is, op wat grote honden na. Ik voel me eenzaam in deze stilte. “Zal ik dan dadelijk toch afbuigen naar Nicolosi?” Met een dubbel gevoel klim ik verder. Enkele honden schooien tussen de bergen afval langs de weg. Gelukkig schenken ze geen aandacht aan mij wanneer ik passeer. Langzaam verdwijnen de vijgen, olijven en andere exotische planten en komen er brokke zwarte lavastenen voor terug. Hier en daar staat nog een taaie boomsoort, maar voor de rest wordt het steeds kaler en kaler. Inmiddels hebben de wolken boven mij zich samengepakt tot één grijze massa. Dit ziet niet best.. Ik klim door, tegen de wil van mijn benen in. Ik moet toegeven dat ik blij ben met elke redelijke kampeerplek. Nog beter zou een warm huis zijn, maar die kans acht ik klein. Ik duik een zijweg in. Klaar voor vandaag. Ondanks dat ik graag verder had willen komen is dit toch nog een redelijke plek.

Ik ga alert de nacht in. Te meer omdat er op deze verlaten weg grote roedels honden liepen, en die wil ik niet bij mijn tent, want één tegen tien is geen eerlijk spel. Het geblaf wordt door de wind gedragen en klinkt dichterbij dan het is. Geen maffia, maar ‘maffe’  honden.“Morgen wil ik weer even in een bed slapen”, zucht ik als ik naar de klok kijk. Het is één uur in de nacht en ik ben klaarwakker. Het vroege slapen verstoord mijn ritme. Buiten vriest het een graad of vijf, verder is de lucht helder en de maan groot genoeg om licht te geven. Koud heb ik het niet in mijn tentje. Als om zes uur de zon mijn binnentent oplicht klim ik uit mijn slaapzak. Tijd om de Etna op te gaan, maar mijn benen denken daar toch nog iets anders over. Gestaag klim ik voort met regelmatige adempauzes. Wederom zijn er op deze hoogte bomen en die staan mooi in de herfstkleuren. Verderop zal gesmolten lava het landschap overnemen.

Een kruispunt, en geen borden..? Mijn gps geeft rechtdoor aan. Stijl omhoog dus. Ik wissel mijn blik met een hond. Als jij nou eens blijft waar je bent dan klim ik omhoog. Maar wat denk hij? Ik kijk naar mijn zweep, en in mijn spiegel. Geen hond. Gelukkig zijn er op de hoger gelegen gebieden geen honden meer te bekennen. Waarschijnlijk is de nacht daar te koud. Het wegennet wordt een puinhoop. Overal weggetjes en geen borden. Ik vraag een voorbij ganger. 

“Etna? “

“Si, si” en weg is hij weer. Gedurende het eerste uur kom ik een heel eind. De weg wordt beter, en dan ben ik opeens weer in de bewoonde wereld. Touringcars rijden met zwaar geronk naar boven. Nog drie haarspelden, prent ik mezelf in. Boven is het een drukte van mensen met gekleurde sportjassen, mutsen en andere outdooroutfit. Heb je dat nodig in een bus, vraag ik me af? De Etna rookt nog steeds, maar is verder wolkenvrij. Een prima dag voor een klim dus. De fiets staat ‘veilig’ bij een hotel, en op hoop van zegen vertrouw ik daar op. Drie uur was het naar de top. Halverwege geloof ik het wel. De wind is snijdend, de klim zwaar omdat elke stap omhoog een halve terug is vanwege de losse lavastukken en ondanks al mijn kleding mocht ik het toch nog fris hebben. De grond daarentegen voelt lekker warm. Het uitzicht vanaf hier is waanzinnig, en met de wetenschap dat je toch niet in de krater mag kijken zet ik mij op een steen om nog eenmaal te genieten van deze reus! Beneden zie ik de eerste wolken omhoog komen. 

Perfecte timing dus! Gesloopt van de inspanning begin ik aan de terugweg, al blijkt die niet inspannend te zijn, want mijn doel is Catania, en dat ligt op zeeniveau 😉 ik kom zonder te trappen zo goed als voor de deur van mijn B&B. Vijftig kilometer in anderhalf uur, glimlach ik. Mooi gedaan Paul. Morgen neem ik een dag vrij. Catania, aan de oostkust, grenzend aan de Ionische zee in plaats van de Middellandse zee.