Catania. Een drukke stad aan de Ionische zee. Vis is er volop te krijgen, net als andere streekproducten van het eiland. In het hart van het centrum vindt dan ook elke ochtend, en een deel van de middag, een markt plaats. Missen kun je hem niet, want de geur van vis komt je al ver voor het plein tegemoet om je eraan te herinneren dat je er bijna bent. De drukte is niet te overzien. Kooplieden schreeuwen om hun producten aan de man te krijgen. De één nog harder dan de ander. Sardientjes, zwaardvis, octopus, gamba’s, maar ook kazen,noten, vlees, groenten of fruit. Alles is er te vinden. Met grote kapmessen wordt je product op maat gemaakt. Hygiëneregels zijn er niet. De grote zwarte kasseien die het plein betegelen zijn glad van bloed, slijm en dierlijke overblijfselen. De meeste verkopers dragen dan ook zakken om hun schoenen of laarzen. Ik wil niet weten hoe je ruikt als je na een dag werken thuiskomt. Ik ben gek op dit soort markten en ik moet bekennen dat ik er de hele ochtend overheen gescharreld heb. Er zijn me ook enkele lekkernijen aan de vingers blijven hangen. Een paar dikke, groene olijven bijvoorbeeld, wat fruit en een kilo grote gamba’s. Oeh!!

Zo vol als de markt was, zo snel is iedereen ook weer verdwenen als de zaakjes leeg gekocht zijn. Opeens schuilt er dan achter elke slager of viskraam een restaurantje. Ik heb me buiten op het terras neergezet, een pilsje besteld en de rest van de middag vermaakt met mensen kijken en lekkernijen snoepen. Een echte rustdag dus. Tevens heb ik mijn plannen een beetje aangepast. Het wildkamperen was moeilijk en voelde vanwege alle loslopende honden ook niet altijd even veilig. Daarnaast miste ik de mooiste stadjes omdat ik vanwege de schaarse hoeveelheid daglicht snel door moest en dat was jammer. AirB&B blijkt hier niet duur zijn en ik heb mij meerdere nachten getrakteerd op een B&B, en dat zorgt voor een hoop meer rust heb ik gemerkt nu ik weer onderweg ben. Catania ligt al meer dan vijftig kilometer achter me, maar is nog steeds zichtbaar als ik omkijk. Net als de Etna, die hier zo te zien duizenden jaren geleden al stenen naar toe heeft gegooid. Ik kan me weinig bij de kracht van zo’n vulkaan voorstellen, maar als je stenen ter grootte van auto’s vijftig kilometer verderop neer kunt leggen dan zit er een hoop geweld achter! 
Het was geen lolletje om de stad te verlaten. Het gevoel dat ik over een vuilnisbelt reed kwam aardig in de buurt. Daarentegen was het zondagochtend wel rustig op de weg. Dat was met de stad binnenrijden wel anders. Toen draaide een man in zijn Fiat nog zijn raampje open en riep naar me: “Welkom to Catania!’, al wijzend naar de drukte op de weg en met een grote grijns op zijn gezicht. Hier in de binnenlanden, echter pas bij de afslag naar Sortino, kwam de rust weer terug. Lege velden, gras, bergen en gezinnen die op zondag olijven oogsten. Naarmate ik het dorp nader vormt de omgeving zich met bergen en daartussen kloven, welke zich als een ribbelpatroon opvolgen, alleen dan in het groot. Ik klim en daal af, klim opnieuw en daal weer af. Die kloven zijn, anders dan voor de benen, wel een lust voor het oog. Grof gesteente met bomen ertussen die zich op de meest moeilijke plekken hebben verankerd. Of beekjes met kraakhelder water, iets wat ik hier nog niet eerder gezien heb. Ik kijk mijn ogen uit. Morgen ga ik het Necropoli di Pantalica natuurpark in. Dit schijnt de meest mooie kloof van allen te zijn. Maar eerst mijn B&B. Ik heb er een hele keuken bij en daardoor kan ik de gamba’s eens uit de tas halen. Wanneer ik gegeten heb en me lekker op de bank nestel om een boek te lezen barst er buiten een feest los. Snoeiharde muziek galmt naar binnen. Tijd om naar buiten te gaan dus 😉 

Ondanks dat ik gisteren maar één biertje heb gedronken voel ik het in mijn benen. Alcohol en sport gaan niet goed samen. Ik zit binnen aan de keukentafel en wacht tot de blauwe, regenloze lucht, die vanuit het westen aankomt zetten, de hevige regen en voortdurend onweer boven Sortino verdrijft. Het regende tegen zes uur zo hevig dat er minstens tien tot twintig centimeter water door de straat dreef, waardoor het meer weg had van een rivier. Ik zag mijn dag, met op het programma de Pantalica kloof al in het water vallen. Toen ik de blauwe, smetteloze hemel aan het westen zag, en ook nog deze kant op zag komen, was er opeens weer hoop. Tijdens de afdaling naar de kloof waande ik mij, mede door de hevige regenval, in een waar tropisch woud. De hoeveelheid regen maakte het plaatje eigenlijk compleet. De geur van natte fauna paste perfect in het programma van de dag. Eenmaal in de kloof wist ik niet waar ik moest kijken. Kraakhelder beekwater, watervallen, bomen, struiken, bloemen, lianen. Het was er allemaal. Maar liefst twaalf kilometer heb ik van dit mooie plaatje mogen genieten. Een oude spoorbaan vormde de route, en met de fiets mocht je erdoor. Tenminste, dat mocht van de man die bij het loketje zat. Van een andere kerel, die ik halverwege ontmoette, kreeg ik te horen dat het park vandaag dicht was vanwege de hevige regenval. Heb ik even mazzel, anders had ik die abnormaal steile afdaling zeker terug omhoog moeten fietsen naar Sortino.. 

Via Cassaro klim ik er twaalf kilometer later weer uit. Bij de entree stonden mooie borden hoe lang een bepaald type afval erover doet om af te breken. In het park was dan ook geen vuiltje te vinden, maar nog geen meter er buiten ligt het puin al weer langs de weg. Oude matrassen, tv’s, zakken, flessen, je kan het zo gek niet bedenken of je vindt het er. Ik moet bekennen dat ik me er behoorlijk aan stoor. Deze troep is simpelweg niet nodig en dat maakt de mijn gevoel over de schoonheid van dit land dubbel. 

Via Cassaro daal ik af naar Ferla, waar ik toch weer moet klimmen om tot de kern te komen. Het dorp ligt schilderachtig, als gekleurde Duplo-stenen tegen de berg gebouwd.

Ik passeer een groep mensen die voor het café staan. Ze wijzen, beginnen hevig te praten en kijken me na. Het valt me op dat dat hier in de binnenlanden meer voorkomt. Zie ik er zo goed uit, of zit mijn haar niet goed? Of ben ik voor hun gewoon een mafkees op een fiets. Ik hou het toch bij het eerste 😉

Na Ferla wachten me dertien stijgende kilometers tot Bucceri. Ik passeer honderden olijfbomen die overvol hangen, velden met vijgenbomen en andere fruitsoorten. De omgeving is groen en oogt zeer voedzaam. De wind daarentegen is minder, die heb ik pal van voren en is nog koud ook. De smetteloze, blauwe hemel is verdwenen en ik moet wel heel optimistisch zijn wil ik beweren dat ik het droog houd vandaag. Gestaag kom ik vooruit. In Bucceri trakteer ik mij op een panini met tomaat en mozzarella, maar bij het afrekenen kom ik er achter dat ik daar niet armer van wordt en hun ook zeker niet rijker. €1,80 Wat krijg je daar nog voor gedaan zou je zeggen? Met een waterig zonnetje vreet ik mijn brood op, want ik heb honger als een beer. Als ik het dorp uitrij kom ik langs een olijfoliemakerij. Mijn nieuwsgierigheid zorgt ervoor om toch even te vragen of ik mag kijken. Met een heftruck wordt er een grote kuubse kist aan olijven in een bak gegooid, waar ze gewassen worden. Daarna gaan ze de pers in en ontstaat er een groen papje. Dit moet een uur bezinken waardoor de olie bovenop komt drijven en die wordt door middel van een pomp eruit gezogen. Meer blijkt het niet te zijn. Geen eeuwenoude technieken, gewoon een lawaaierige ruimte met grote machines en lopende banden, maar toch leuk om gezien te hebben!

Grammichel is mijn eindbestemming. Het dorp kenmerkt zich door de zeshoekige bouwstijl, welke vanuit het midden op een groot plein begint. Mijn B&B ligt ergens buitenaf op een berg, en de dame die er woont schreef het volgende bericht voor me. “It is steep uphill to a dirty road Paul, and there are a lot of sweety dogs.” Dat uphill geloof ik wel maar die ‘sweety dogs’.. Ik kan geen hond meer zien of horen of ik heb de zweep al vast. Die beesten schieten me hier overal achterna. Ik lieg niet als ik er wel honderd per dag los zie lopen en de meesten begroeten me niet al te ‘sweety’. Maar tot een confrontatie met haar vier honden hoeft het niet te komen, want ik kan de weg niet vinden en na een telefoontje zit ik opeens in een klein vrachtautootje, welke bijna omlaag glijd als we de ‘steep uphill’ opklimmen. Wat betreft die berg had ze dus gelijk. De vier honden vallen wel mee, al zal ik er geen dikke vrienden mee worden. Carmen, zoals ze heet, leeft bewust en minimalistisch in haar kleine huisje op deze berg. Dit zorgt voor wat interessante gespreksstof en ze is een van de weinige die Engels spreekt. Zo heeft ze vorig jaar bijvoorbeeld alles uit eigen tuin geteeld en is ze, naar haar eigen zeggen, niet in de winkel geweest. Ze vraagt me wat ik van de rommel langs de weg vind..
Vanuit haar tuin kijk je recht tegen de Etna aan, welke al meer sneeuw bevat dan een paar dagen eerder. Het blijft een machtig gezicht!

De volgende dag is een dag waarbij ik de smaak niet te pakken krijg. Het waait koud en rond de middag krijg ik een pak regen over me heen. In Caltagorone is de weg afgesloten en moet ik noodgedwongen tien kilometer terug en via de snelweg verder. Eenmaal daar vanaf, wacht me een eindeloze helling welke ik met acht kilometer per uur beklim tot ik in Piazza Armania ben. Op de hele dag heb ik twee mooie uitzichten gehad en voor de rest heb ik me wederom gestoord aan de troep langs de weg. Ik wist dat dit stuk niet veel te bieden had, en dat ik het moest overbruggen om weer in de natuur te komen, maar alles tezamen zorgde ervoor dat ik om vier uur een hotel boekte en er klaar mee was.

De avond in Pizza Armania brengt de smaak van Sicilië terug. In diverse winkeltjes kun je van lokale lekkernijen proeven en snoepen. Pistache-pasta bijvoorbeeld, ezel-chorizo, olijven, brood met verschillende oliën, rode- en dessertwijnen. Ik krijg er geen genoeg van, en daarom bleef me ook een fles rode wijn aan de vingers hangen. Hoe leger ik hem drink, hoe lichter hij wordt, toch..

De volgende ochtend is de zon terug. Giovanni, de B&B eigenaar heeft een geheel verzorgd ontbijt voor me klaarstaan. Croissantjes, vers en nog warm brood, kazen, kwark, thee, koffie, jams, diverse smeerpasta’s. Het is teveel, maar deze beste man komt mij gelukkig helpen. Gezamenlijk ontbijten we, praten over deze reis, de stad en dat ik echt naar Villa Romana dell castell moet gaan. Ondertussen doet Giovanni me voor hoe je sommige dingen moet eten en gezien zijn postuur smaken hem de lokale gerechten goed. Hij was gisteren ook degene van wie ik de fles wijn niet kon laten staan. Naast zijn B&B runt hij namelijk ook nog een klein, lokaal lekkernijwinkeltje. Het was er druk en iedereen leek hem te kennen. Het proeven ging maar door! 

Inmiddels is het negen uur. Tijd om te vertrekken. Zoals beloofd fiets ik richting Villa Romania. Voor een tientje entree mag ik naar binnen en aanschouw ik de overblijfselen van deze oude burcht. De echte attractie zit hem in het ongelooflijk mooie mozaïek werk. Elk vertrek heeft zijn eigen kenmerken. Het is een plaatje! 

Om half elf begin ik dan eindelijk aan mijn fietstocht richting Cassanellette, volgens Giovanni een nietszeggende stad in het midden van Sicilië. De weg er naar toe leidt me door velden met olijven, druiven, cactusvijgen en hier en daar een hoge, uitstekende berg. 

Bij Pietraperzia ga ik van de hoofdweg af en volg ik een dunne, witte lijn op de kaart richting de stad. Echter loop ik na één kilometer letterlijk vast in de plakkerige modder die over de weg is gedreven na de harde regen van laatst. Het achterwiel moet eruit en met een stok peuter ik net zolang totdat de zaak weer draait. Helaas gebeurt me binnen vijfhonderd meter hetzelfde en daar sta ik eigenlijk niet echt van te kijken. Wederom moet het wiel eruit. De weg zelf lijkt iets verderop niet meer in gebruik. Struiken groeien uit spleten in het asfalt. Een deel is opgevreten door de naastgelegen rivier en kent meer gat dan asfalt. Terug wil ik echter niet, want de afdaling was me te steil. Voor me loopt de doorgaande weg en met een beetje geluk kan ik er ergens op. Met de tassen en later de fiets, sjouw ik de berg omhoog naar de weg. Eenmaal op de fiets vliegen me de resten modder om de oren en tegen de tijd dat het meeste er wel af is zie ik eruit alsof ik een modderbad gehad heb. Ondertussen komt Caltanissetta dichterbij. Het wordt drukker en drukker. Drie bruggen verder, met maar een hele smalle schouder, sta ik voor een tunnel. No way dat ik daar doorheen ga. Er is hier helemaal geen schouder meer. Mijn oog valt op een, met touw bijeengehouden, hekwerk naast de weg. Ernaast loopt een secundair kiezelpad. Ik snij het touw los en verlos mezelf van deze drukke weg. Secundair betekent echter wel klimmen. Gestaag kom ik vooruit. Caltanissetta komt langzaam in zicht. De stad zelf is inderdaad niet om naar huis te schrijven en het B&B is slechts een bed in een kamer tussen kasten en opgeslagen spullen, maar wel warm en droog.

Nog voor ik de stad uit ben heb ik het met een hond aan de haal. De grootte liegt er niet om en dit kaliber sleept me zo van de fiets als hij wil. Genadeloos sla ik hem met mijn zweep op zijn nek en daar deinst hij gelukkig van terug. De hondenangst achtervolgt me zodra ik de stad uit ben en ik de plattelandweggetjes doorkruis. Ik merk dat ik zo alert ben dat ik de omgeving nauwelijks kan bewonderen. Wanneer de laatste huisjes verdwijnen en ik even alleen ben zie ik waar ik fiets. Heuvels met omgeploegde velden en zo nu en dan een uitstekende rots. Het is een totaal ander landschap en als ik mij er even bij ga zitten om te pauzeren komen er opnieuw twee honden uit het niets op me af. Een steen in hun richting is voldoende. Al blaffend met de staart tussen de benen staren ze me vanaf de berg na, wanneer ik voorbij zoef. De aansluiting met de SP-23 is wat beter te berijden omdat het niet zo’n gebrokkeld asfalt kent als de landwegen en ondanks dat ik dacht dat het wel eens een pittige dag kon worden vlot het lekker.

Mijn doel is Mussomeli, maar om daar te komen moet er gewerkt worden. Het ligt op achthonderd meter hoogte en borden met 10% waarschuwen me voor hetgeen er komen gaat. Als hier honden zitten dan… Ik bewapen me met twee stenen en een lege fles bier. Vier kilometer per uur geeft mijn teller aan en ik heb het gevoel dat mijn ketting een gitaarsnaar is zoveel kracht oefen ik erop uit om vooruit te komen. Het kost me een uur, maar ik kom zonder kleerscheuren, met twee stenen en de lege bierfles boven. Vanaf boven overzie ik het dal. Verschillende kleine dorpjes kleven tegen de rotsen in de verte. Het dorp zelf is zo’n doolhof dat het me doet denken aan een Marokkaanse Medina. Al zigzaggend tussen de steile straatjes zoek ik een winkeltje. Ah, de bakker, perfect! “Ciao”, groet ik vriendelijk en maak met mijn armen het gebaar dat alles er lekker uitziet terwijl ik het zweet dik onder mijn helm heb staan. De man lacht. “Complimente, complimente!!” “Grazie”, antwoord ik. Aan de andere kant van het dorp wacht me een afdaling vol haarspelden. Eenmaal beneden zie ik in de verte het dorp San Giovanni tegen de berg. Oef, dat wordt net zo’n pittige..

Google vertelt dat er vanaf morgen alleen nog maar regen op het programma staat, maar omdat ik google niet altijd geloof wacht ik tot morgenvroeg met het maken van een keuze. Als het namelijk slecht is dan kan ik net zo goed maken dat ik in Palermo kom. Bij goed weer kan ik nog twee mooie fietsdagen verwachten. Met deze gedachten sluit ik mijn ogen. 

De volgende ochtend schrik ik om vijf uur wakker. Het eerste wat ik doe is naar het raam lopen. Regen! He, verdorie.. Tegen zes uur blijkt het echter droog. Ik sta voor een dilemma. Vanuit het balkon probeer ik een betere schatting van het weer te maken en dat lukt aardig. Koud, met links van me onweer en rechts wolken, zo laag dat ik de top van de berg niet meer zie. Dan toch maar Palermo. Het is half zeven als ik mijn tassen ingepakt heb en aan het ontbijt begin. Tegen zeven uur is het nog steeds droog en lichter buiten. Toch naar Corleone? Dan bestaat er een grote kans dat ik alleen maar door de wolken fiets en niets zie.. Geen goed idee dus. Palermo. Maar dan mis ik de bergroute en het maffiamuseum.. Ik kijk nogmaals naar de weersverwachtingen. Regen, regen, regen. Palermo dus! Via airB&B boek ik twee nachten. De laatste nachten. Om in de stad te komen moet ik een stuk terug. Helaas, want dat betekent dat ik het laatste stuk gisteren voor Jan Joker geklommen heb. Al snel neem ik de aansluiting op de ‘autostrada’, een hoofdweg direct naar de stad. Tachtig kilometer geven de borden aan. Dat is in totaal dus 86 km. Mijn gevoel zei dat ik zou afdalen maar daar merk ik echter nog weinig van. Traag kruip ik vooruit. Een nieuw bord. Nog 69 km. Dat is al 3 km minder. Mijn hoogtemeters lopen langzaam op naar de zevenhonderd meter, maar er komt toch echt een moment dat ik naar zeeniveau moet. Weer een bord. Nog 65 km. Ik ben toch echt al tien kilometer verder? Die Sicilianen kunnen er wat van. Wegwerkzaamheden, eenrichtingsverkeer. Ik stop bij het tankstation en bestel de Siciliaanse nasibal. Een typisch gerecht met vlees en tomatensaus in het midden. Het is echt krachtvoer want met één zo’n bol heb je voldoende. “Ow, zegt de eigenaar. Die werkzaamheden zijn al vier jaar aan de gang.” De opvolgende kilometers is het niets anders dan autostrada op en af. Wel ga ik inmiddels bergaf en ondanks alles vlot het goed. Om iets voor twee ben ik in de stad. Geen regen gehad, maar achter me zag het donker en ik twijfel niet dat ik de goede keuze heb gemaakt.

De herinnering van het begin komt op. De troep langs de kuststrook. De vervallen gebouwen. De vele groenten- en fruitwinkels. Eén ding moet ik toegeven en dat is dat ik Sicilië mooi vond, maar dat de mens hier helaas te duidelijk zijn sporen nalaat. En als iemand mij zou vragen of je er goed kunt fietsen, dan zou ik vragen of die gene veel van honden houdt? Sicilië heeft gewoon twee kanten. Aan de ene kant de overweldigende natuur zoals de machtige Etna, de kuststrook en de Pantafilo kloof, maar aan de andere kant helaas ook het gebrek aan noodzaak om dit bewaard te houden.